“Ik kon een contract tekenen in de Eredivisie, maar besloot terug te gaan naar Valthermond”

VALTHERMOND – Albert (Appie) Koops heeft aangegeven te stoppen als hoofdtrainer van Valthermond. Volgend seizoen staat hij, mits corona dat toelaat, voor de spelersgroep van WKE. Helemaal afscheid nemen van de kicksen kan hij maar moeilijk. Decennialang staat hij dag in dag uit op het voetbalveld. Of dat nou in Valthermond, Emmen, Veendam of Herzlake is. Op het voetbalveld is hij thuis. In gesprek met Week in Week uit vertelt Koops zijn verhaal. Over het Paul Wardenburg-veldje, zijn wilde haren, gemiste kansen en natuurlijk over de onvoorwaardelijke liefde voor zijn dorp en zijn voetbalclub: VV Valthermond.

Op een bewolkte donderdagochtend wordt er aangebeld aan de Rooilaan in Valthermond, oftewel de voetbalstraat van het dorp. Praktisch iedereen die aan deze straat woont, heeft wel iets met de plaatselijke voetbalvereniging. Is het niet direct, dan wel indirect. Albert Koops groeit eraan op. Sinds zijn vijfde dartelen de vliegensvlugge voetjes en de losse heupjes van Koops door de straat. “Na het eten kwam iedereen uit de buurt naar het Paul Wardenburg-veldje. Dat was een grasveldje naast het huis van, je raadt het al, Paul Wardenburg. Daar voetbalden we met het halve dorp altijd tot laat in de avond.”

Koops’ voetbalcarrière kende volgens de hoofdpersoon zelf alleen maar hoogtepunten. Hij genoot met volle teugen, haalde fratsen uit waar de haren van de trainer nogal eens van omhoog gingen staan en vond de derde helft net zo leuk als de eerste en de tweede. “Als ik op een voetbalveld sta, geniet ik. Dat is altijd al zo geweest en dat zal altijd zo blijven”, vertelt de Mondker. Al van kleins af aan zit de bal aan zijn voeten gekleefd. Tot op de dag van vandaag legt hij de balletjes rustig dood wanneer deze als een ongeleid projectiel op de kleine voetbalfanaat afkomen. “Volgens velen had ik veel meer uit mijn voetbalcarrière kunnen halen. Dat geloof ik ook wel, maar ik heb er vrede mee. Ik heb ontzettend genoten bij alle clubs waar ik heb gespeeld”, verklaart Koops.

Dat zijn VV Valthermond, BV Veendam, FC Emmen, Herzlake in Duitsland en WKE. Hij speelt bij de ene club langer dan de ander, maar altijd kwam hij terug naar zijn geliefde dorp. Zelfs als hij de kans krijgt op een contract in niet de eerste de beste competitie, de Eredivisie: “Ik zat bij de selectie van BV Veendam toen het naar de Eredivisie promoveerde. Samen met Boy Nijgh reed ik altijd op en neer. We zaten na de wedstrijd altijd heel even in het spelershome, waarna we al gauw richting café ‘Why Not’ in Stadskanaal togen. Tot in de late uurtjes natuurlijk. Toch wilden ze me er graag bij houden in Veendam en misschien had ik mijn kans in de Eredivisie gekregen. Iedereen zou dat contract hebben getekend, maar Appie ging terug naar Valthermond. Die stond twee weken later ergens in de kou tegen Steenwijkerwold te ballen.” Hij schaterlacht: “Eigenlijk is het mooi, man. Wie doet nou zoiets? Ik dus.”

Het spreekt voor de goedlachse en sympathieke voetbalman. Onder de vleugels van wijlen Henk Nienhuis debuteert hij in het eerste van Valthermond. Koops is dan zestien. “Ik was door het dolle heen. Ik reed nog net niet met paard en kar door Valthermond. Zo blij was ik”, vertelt hij lachend. Al gauw verovert de doelgerichte linkspoot een basisplaats in de blauwwitte formatie. Het gaat hem gemakkelijk af. Voetbal is zijn ding, maar een winnaarsmentaliteit heeft hij niet echt. Of hij er nou kansloos met 3-0 afging of met 2-1 won en beide doelpunten voor zijn rekening nam. Hij had plezier en daar draaide het om: “Ik herinner me een wedstrijd tegen GRC. We verloren afgetekend en terecht met 3-0. Fluitend liep ik van het veld, zo was ik. Totdat ik de punt van de schoen van Klaas Oldenburger tegen de billen voelde. Een flinke schop. Mijn gedrag werd, volledig terecht overigens, niet altijd gewaardeerd. Ik keek wel op tegen oudere spelers als Oldenburger, Bennie Gerdes en Hendrik Baas, dus dan leer je dat gedrag wel een beetje af.”

Maar een vos verliest zijn streken niet. Zo krijgt Koops het geregeld aan de stok met trainers als hij weer eens een nachtje te lang in café Pierrot in Emmen zit: “René Notten was trainer bij FC Emmen en we leverden tegen N.E.C. een enorme wanprestatie. Het weerhield Wessel Woortman, Jan de Jonge en mij er niet van om de avond voor het verlies door te zakken in het café.” De mondhoeken van de levensgenieter beginnen alweer op te trekken en de karakteristieke lach verschijnt weer op zijn gezicht. “Appie, Jan en Wessel moesten zich van Notten om 6.00 uur ’s ochtends melden bij Haantjebak, een heuvel in Emmen”, gaat hij verder. De drie zitten alleen om 5.00 uur in de ochtend nog bij Pierrot en liggen een uur later, als de trainer bij de heuvel op hen staat te wachten, op één oor. In de week die volgt lijkt hun actie in de doofpot gestopt te worden, tot vreugde van de drie feestvierders. “De wedstrijd erop speelden we tegen koploper AZ. We voetbalden fantastisch en wonnen verdiend, maar na de wedstrijd had Notten nog een mededeling. We dachten dat hij een grap maakte: ‘Jan, Albert en Wessel vorige week heb ik jullie niet gezien, maar jullie hebben nog een rekening openstaan. Morgenvroeg 6.00 uur, Haantjebak.’ We baalden als een stekker, want na een gewonnen wedstrijd wilden we graag op stap. We hebben het even gevierd en zijn op tijd naar huis gegaan. De ochtend erop stonden we met z’n drieën bij de heuvel. Notten was in geen velden of wegen te bekennen. Hij flikte ons precies wat we hem geflikt hadden. Mooier kun je het eigenlijk niet bedenken.”

Via het debuut bij Valthermond, een blauwe maandag bij Cambuur, BV Veendam, FC Emmen, WKE en natuurlijk een afscheid Valthermond eindigt de veelbelovende carrière van het Valthermondje zo rond de eeuwwisseling. Dat hij zijn hoogtijdagen kent als de beide Koemannen bij FC Groningen vertrekken en er door de Trots van het Noorden gekozen wordt tussen Koops, Jos Roossien en Frank Rijkaard, die op dat moment een mindere periode kende bij Ajax, zegt genoeg. Die kwaliteiten bezat hij, maar uiteindelijk doet hij er te weinig mee: “Ik was te makkelijk. Ik vond het leven ook mooi.” Waar Roossien zich bij de groenwitten voegde en Rijkaard nog een kans kreeg bij de recordkampioen, maakte Koops tot zijn eigen plezier wederom de wandeling van de Rooilaan naar het Noorderdiep: “Als ik het bordje Valthermond te lang niet zag, dan werd ik gewoon beroerd. Ik kon slecht van Valthermond weg komen.”

Dat komt ook door een belangrijke man in Koops’ leven: Wim van den Heuvel. Vanaf de kennismaking tot op de dag van vandaag raakt hij de juiste snaar bij de talentvolle voetballer. Voor Van den Heuvel loopt Koops rustig zestien keer het Zuiderdiep op en neer. Zonder mokken. Zonder te zeuren om een bal. “Die man straalt zoveel warmte uit. Ik was meteen verkocht”, zegt Koops. Van den Heuvel wordt uiteindelijk de langstzittende trainer bij Valthermond. Maar liefst twintig jaar stuurt hij de blauwwitte formatie aan. “Die man was net een magneet. Als ik hem maar zag, vond ik voetbal weer leuk.” Het is één van de vele redenen waarom het kind van de club geregeld in het vertrouwde tenue van de Mondkers terugkeerde.

Na zijn actieve loopbaan wordt Koops trainer van alle jeugdelftallen van FC Emmen en is hij hoofdtrainer van het vlaggenschip van zijn Valthermond. Nu wacht een nieuwe uitdaging: WKE. “Dat is de enige club waar ik nog wel iets voor zou willen doen. Als zij niet waren gekomen, dan had ik mooi het hele weekend op de hoofdtribune van sportpark De Meent gezeten.” Ondanks dat hij dus wellicht de kwaliteiten heeft gehad om mee te draaien op het hoogste niveau, kijkt Koops met een glimlach terug. “Als ik de begeleiding had gehad, die jeugdspelers nu krijgen dan was ik waarschijnlijk veel eerder bij de kladden gegrepen. Tegenwoordig hebben kinderen al voor hun geboorte een zaakwaarnemer. Toentertijd was het: ‘Appie, wat kun je goed voetballen’, maar ik ben er nooit van naast mijn schoenen gaan lopen”, verklaart hij. Daarvoor had hij de voetbalschoenen te strak gestrikt. Tegenwoordig houden kleurrijke Van Bommeltjes de voetjes van Koops in het gareel en de wilde haren, die worden iedere ochtend nog altijd keurig gladgekamd op het bolletje van de zwierige Albert Koops: “Die verlies ik nooit.”

Albert Koops op het Paul Wardenburg-veldje. Foto: Tom Meijers

Gepubliceerd in Week in Week uit – 26 januari 2021

Voetbalkantine VV Valthermond

Ik kijk naar een televisie in een Drentse voetbalkantine. De beeldbuis is ietwat provisorisch opgehangen, maar qua beeld en geluid is het prima. Onder het genot van een versnapering laat ik de halve finale van de Champions League tussen Real Madrid en Juventus over me heen komen.

Pfuut, pfuut, pfuuuuut. Het is afgelopen. Het bodempje van mijn fles is nog bedekt met een klein laagje goudgeel toverdrank. Nadat ik dat achterover heb geslagen, merk ik dat het geluid van de televisie is uitgevallen. Althans, dat denk ik. Maar dat is niet terecht. Het is gewoon erg stil in Estadio Santiago Bernabéu. Het is niet gebruikelijk dat het in het stadion van ‘de Koninklijke’ stil is. Real is immers een ploeg dat vaker wint dan punten verspeeld. De stilte is een logisch gevolg van het feit dat Real Madrid zojuist haar meerdere heeft moeten erkennen in ‘De Oude Dame’.

Ik pak even mijn tijdmachine en reis terug naar vorige week. Het affiche Juventus – Real Madrid staat op het programma. Iedereen is ervan overtuigd: titelverdediger Madrid zou dat Italiaanse varkentje wel even wassen. Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat die overtuiging relatief terecht is, want wat heeft Juventus de afgelopen jaren in Europa gepresteerd? Twee dingen. Niks en helemaal niks. Ik betrap me er zelf ook op, maar dat is niet erg. Nu, een Italiaanse overwinning en een Spaans gelijkspel later, weet ik beter.

Ik kan niet wachten tot de finale tussen FC Barcelona en Juventus. Een finale vol helden en stiekem heb ik een lichte voorkeur voor Juventus dit keer. Niet voor mezelf, maar voor de oude rotten in dat team. Andrea Pirlo bijvoorbeeld, met zijn bazige baard en imposante lange haren. Een ‘leggenda vivente’, oftewel een levende legende. En dan heb je nog die fantastische sluitpost, Gianluigi Buffon. Alleen al van die naam begin je spontaan pasta te eten. Een keeper met onnavolgbare reflexen en indrukwekkende clubliefde. Hij staat al sinds 2001 onder de lat bij Juventus. Die vreugde wanneer ze nog één keer de cup met de grote oren omhoog mogen houden. Precies dat, dat zou ik graag op een provisorisch opgehangen televisietje willen zien.

Daar staan we. Klaar voor de start. Meer dan ooit ready voor een nieuw jaar. Omkijken doen we niet meer. We staren naar voren. Over de lange weg die we hebben te gaan. Langzaamaan buigen we de knieën. Licht voorovergebogen en vol concentratie wachtend op dat startsein. Het stadion is koud en leeg. Elke zucht scheert door het trommelvlies. Nog een rilling over de rug en het moment is daar. PANG! PANG! Valse start. Kut, maar we zijn nog niet gediskwalificeerd.

We zitten langs de inrijbaan. Toekijkend naar wat eigenlijk? Niets. Tot 19 januari staan we in de wachtrij om vervolgens weer op te starten als Erben Wennemars in zijn goede dagen op de 500 meter. PANG! We gaan los. De eerste meters verlopen voortvarend. Harde slagen de goede richting uit. De eerste winkels gaan weer open. Het sociale leven komt langzaamaan weer op gang. We gaan van twee mensen op bezoek naar vier, nee wacht, acht. Ach, dat maximum? Dat is verleden tijd.

Er vormen zich lange rijen. Publiek? Ja, het mag weer. Hongerig in de rij voor de rookworst van de Hema, de langverwachte vaccinatie en het stemhokje. De Tweede Kamerverkiezingen staan op het programma. We pakken allemaal datzelfde rode potloodje vast en kruisen aan wat we aan willen kruisen. We schudden onze handen stuk, leggen het hoofd op iemands schouder en slaan een arm om een dierbare heen. De breedte van de baan wordt volop benut.

De temperatuur in Thialf loopt op. Met rake klappen zoeven we door. De sportcompetities worden hervat, ook op amateurniveau. Yes! Wat gaan we lekker. Koningsdag wordt groots gevierd. Eigenaren van horecabedrijven zijn inmiddels dronken van geluk. De kassa puilt uit en de festiviteiten gaan door tot in de late uurtjes. Tot het moment dat Koos straalbezopen eindigt op de stoep van het gemeentehuis. Hij heeft verloren van dezelfde fles, die tussen zijn wijsvinger en duim ongeveer een meter boven de grond bungelt. Wat een feest. Gezelligheid voelt onwennig. Als de eerste keer op schaatsen. Tot de gang erin zit en het vanzelf lijkt te gaan.

We liggen op het schema baanrecord. Op het middenterrein kijkt iedereen verbaasd toe. De eerste monden vallen open. Het Europees kampioenschap voetbal begint. Oranje dartelt door de poule, verslaat tegenstander na tegenstander met speels gemak en de Hateboer-Berghuistrein is gaan lopen. Fabuleuze Frenkie, Meedogenloze Memphis en Onverschrokken Virgil loodsen Nederland naar de finale tegen Duitsland. In de achtenzestigste minuut komt Berghuis van rechts naar binnen,  haalt met zijn vernietigende linker uit en via de rug van Joshua Kimmich belandt de bal in het Duitse doel achter een machteloze Manuel Neuer. Als De Ligt in blessuretijd – het blijven Duitsers – een inzet van Müller van de lijn haalt, zijn we kampioen. Ongekend. Iedereen danst, zingt, feest, valt in de gracht en in elkaars armen. Donker, wit, blauw, geel of paars. Voetbal verbroedert als nooit tevoren. Racisme lijkt een vage herinnering aan een uiterst beroerd jaar.

We houden de vaart erin. Hoe harder, hoe gekker. Het wordt allemaal gevolgd door een medailleregen tijdens de Olympische Spelen in Tokyo, een weergaloze Verstappen die de Grand Prix van Nederland op zijn naam schrijft en, tegen alle verwachtingen in, pakt een Nederlandse club een Europese beker. Nederland laat dit jaar iedereen de hielen zien. Daar is de bel. Het schema wereldrecord komt in zicht. Zo succesvol als we in 2021 zijn, waren we nooit. We klappen door. Voor de wind. Tjak. Tjak. En dan is het december. De eindstreep binnen handbereik. Daar gaan we. Moegestreden, maar voldaan over de finish. Het zweet in de naad en het kwijl aan de kin. Hoopvol omhoog turend naar het scherm. Daar staat het: 2021. Wereldtijd.

Foto: Twitter FC Groningen

Het is de nacht van zaterdag op zondag. Rond half 1. Potverdikke, ik lig er gewoon wakker van en ik weet zeker dat ik niet de enige ben. Arjen Robben is terug bij FC Groningen.

Ooit, vlak na de historische bekerwinst van de FC, heb ik een column geschreven over toenmalig trainer Erwin van de Looi. De kern van die column is de zeldzame lach van Erwin. De lach die niemand zag. Zelfs als de KNVB-beker omhoog gehouden wordt tijdens de huldiging op de drafbaan, is de lach van Van de Looi nauwelijks zichtbaar. Sinds die bekerwinst valt er echter ook weinig te lachen voor de Groninger supporters. Sobere seizoenen volgen met nog soberder voetbal en een oogverblindende groene kathedraal. De lege stoeltjes op televisie steken keer op keer in de groenwitte harten.

Het groenwitte hart dat overigens nooit zal stoppen met pompen en onverwoestbaar lijkt. In tijden van corona pompt het zelfs harder dan ooit tevoren. Zo kan men concluderen uit het succes van de ‘Laat ons weer eens juichen’-actie. Indrukwekkend om te zien hoe supporters de club erdoorheen trekken. Datzelfde groenwitte hart maakt op zaterdagmiddag 27 juni om 17:00 uur even een sprongetje. Zeg maar gerust een sprong. Het is van de leg. ‘Woar benn mien tabletten’, zullen veel Groningers hebben gedacht. Er is namelijk nieuws. Goed nieuws. Fantastisch nieuws. Onvoorstelbaar nieuws. Nieuws die de verdwenen Groninger lach weer op de gelaten tovert: ‘Ons Arjen’ is thoes.

Robben is een rasechte supporter van FC Groningen, juicht voor de club en als het even kan, pakt hij graag een wedstrijdje mee in het stadion. Sinds 2002 zijn we hem verloren. Uit het oog, maar nooit uit het groenwitte hart. Dat is ook de boodschap van de supporters: ‘Arjen, volg je hart’. In al die jaren doet hij dat. Furore maakt hij in het roodwit van PSV, het blauw van Chelsea, het wit van Real Madrid en het rood van Bayern München. Hij wint praktisch in zijn eentje de Champions League en schittert op diverse eindtoernooien in ‘Ons Oranje’. Desondanks zit er onder al die kleuren, onder al die shirts, een groenwit hart. Dat blijkt nu weer als de liefhebber besluit de wens van de supporters in te lossen.

‘Ons Arjen’ laat op die legendarische zaterdagmiddag via een video weten te werken aan een comeback als voetballer. Ja, en ho eem! Niet voor Bayern München hè. Nee, mooi veur onze FC: “Mijn droom is om uiteindelijk te spelen in het shirt van FC Groningen.” Achter de schermen traint hij hard aan zijn fitheid om vervolgens aankomend seizoen aan te sluiten bij de selectie van de Trots van het Noorden. Je wilt eraan denken, maar je kunt er alleen maar van dromen. Robben die in een uitverkochte groene kathedraal naar binnen kapt en hem in de verre kruising krult achter een nog onbekende Friese ballenvanger.

En ik denk en hoop tegelijkertijd dat Arjen de Groninger drive terug kan brengen in de selectie. De inzet waar FC Groningen al die jaren om bekend heeft gestaan. De nimmer op te geven mindset van mannen als Koeman, Huizingh en Drent. Het ten koste van alles willen winnen, oftewel de Groninger ‘nait soezen-mentaliteit’. Dat is namelijk waar wij Groningers weer naar smachten.

‘Proat is gain jenever’, maar in dit geval wonderdrank, want alleen al met de bekendmaking van deze fenomenale terugkeer zijn Groninger harten gesmolten. Die groenwitte harten die Arjen ooit heeft veroverd, zullen nu weer hunkeren naar de vliegensvlugge Bedumer hielen die de tegenstanders kansloos achterlaten. Die oogverblindende kathedraal is geschiedenis. Het gaat weer spoken in de ‘Groene Hel’. Het stadion zal weer tot de nok gevuld zijn.

Het maakt verder niet meer uit. Ook al raakt hij geen pepernoot, blesseert hij zichzelf bij het strikken van zijn veter of schiet hij voor open doel de bal richting Delfzijl. Het is hem allemaal al vergeven. Arjen kan in Groningen niet meer kapot. Dat kon-ie al niet, maar nu is hij voor altijd van diamant. De diamant van Groningen. Ons Arjen. Wat mooi.

Het is zondagochtend vroeg. Ik zit met een kop koffie aan de keukentafel en werk de notitie, die ik vannacht heb getikt, uit op mijn laptop. Ik kijk nog eens naar de kip in de tuin die zich in een ferme sprint van een hitsige haan probeert te ontdoen. Ik zit dromerig voor me uit te kijken en kan het maar niet geloven. Voor de zekerheid check ik nog even alle officiële kanalen. Is het echt zo? Ja, het is echt zo. Daar zullen de linksbacks van de Eredivisie, die vannacht met mij hebben wakker gelegen, van balen. Die woelen nog een keer, na de zoveelste nachtmerrie over ‘Ons Arjen’.

Als aangeschoten wild storten de leeuwinnen na het laatste fluitsignaal ter aarde. Ze zijn verslagen. ‘Onze jacht’ is geëindigd met een kogel in de rug. Het heeft niet zo mogen zijn. En is dat erg? Nee, natuurlijk niet. Het is logisch dat je een finale wilt winnen. Een finale wil je altijd winnen, ook al is het idee alleen al surrealistisch. In een finale heb je altijd een kans.

Natuurlijk ligt het niveau beduidend lager dan bij het mannenvoetbal. Je zou het niveau van een wedstrijd tussen Kameroen en Nieuw Zeeland op het WK Vrouwenvoetbal ook elke zondagavond op RTV Drenthe kunnen kijken tijdens ‘Onze Club’. Een programma waarin amateurvoetballers als Freddy Frikandel wekelijks shinen. Maar is het eerlijk om vrouwenvoetbal met mannenvoetbal te vergelijken? Nee. Sinds een aantal jaren groeit het vrouwenvoetbal en wint het aan populariteit. Mannen voetballen al meer dan een eeuw. Als ik iemand dan hoor zeggen dat het nergens op lijkt, dan zijn ze toch echt appels met peren aan het vergelijken. Iemand die al 70 jaar een sigaar rookt heeft daar ook minder moeite mee dan iemand die pas is begonnen.

Gedurende hun jacht op de wereldbeker verslinden de leeuwinnen tegenstander na tegenstander. Ze zijn te sterk voor achtereenvolgens Nieuw-Zeeland, Kameroen, Canada, Japan, Italië en Zweden. Soms met redelijk voetbal, soms op karakter. En is dat erg? Nee, natuurlijk niet. Het maakt een team eerder completer. In de finale is het een ander verhaal. Vanaf minuut één is grootmacht Amerika de bovenliggende partij en onze leeuwinnen zijn dit keer de prooi. In de achtenvijftigste minuut worden de leeuwinnen gegrepen. Een stroper genaamd de VAR schiet hen neer. De Amerikanen worden bijgestaan en Oranje krijgt een penalty, in plaats van een corner, tegen. Via de elfmeter van Megan Rapinoe en een afstandsschot van Rose Lavelle wordt de droom van onze leeuwinnen gedood.

En is dat erg? Nee, natuurlijk niet. De leeuwinnen zijn een prachtige ervaring rijker, zullen als team gegroeid zijn en hebben daarnaast een schitterend wereldkampioenschap gespeeld. Zij waren de prooi en de Verenigde Staten had honger. Zo gaat dat. Volgend jaar staat er weer een mooi toernooi voor ze op het programma, de Olympische Spelen. Hopelijk staat er dan weer een affiche tussen deze ploegen op het programma en wat zullen de Oranjeleeuwinnen dan een honger hebben.

Daar, daar vliegen we. Op een wit-rood-witte wolk naar de bekerfinale. Zojuist heeft Donny ons naar een 0-1 overwinning geschoten tegen Tottenham Hotspur. We hebben het, na Real en Juventus, wéér geflikt in een uitwedstrijd. Vanaf pole position zijn we op weg naar de finale van de Champions League.

Daar, daar vliegen we. Op een wit-rood-witte wolk naar de return tegen Tottenham. Na een stroef half uurtje hebben we zojuist relatief eenvoudig de eerste prijs van het seizoen gepakt. De KNVB-beker gaat, na een 4-0 overwinning op Willem II, mee naar Amsterdam. Heerlijk natuurlijk, maar we willen meer.

Daar, daar vliegen we nog steeds. Op een wit-rood-witte wolk zwevend naar de finale van de Champions League. Matthijs, our fearless leader, knikt ons al vroeg naar 1-0. Hakim, onze baltovenaar, maakt even later zelfs 2-0. Pole position? Tottenham is zojuist een ronde ingehaald.

Daar, daar vliegen we eruit. Van onze wit-rood-witte wolk naar plat op de bek. Mijlenver van een zachte landing. Lucas Moura vervolmaakt namens de ‘Spurs’ zijn hattrick in de aller-, aller-, allerlaatste fucking seconde en we zijn uitgeschakeld.

Daar, daar lopen we. Kijkend naar de wit-rood-witte wolken in de lucht. Zwalkend van de dreun van Moura richting het kampioenschap. Eerste minuut, 1-0 achter. Dit meen je toch niet. Kruipend gaan we verder. Nog eenmaal kijkend naar die wit-rood-witte wolken waarop het zo fijn was.

Maar als het woordje opgeven door je hoofd schiet, dan is er altijd Klaas Jan. Ouwe, lepe goalgetter. Hij trekt de stand gelijk. Donny maakt op slag van rust zelfs 2-1. Vijf minuten na de thee schiet Guusje Til AZ in Alkmaar op voorsprong tegen concurrent PSV.

Daar, daar stappen we weer op. Op een wit-rood-witte wolk. Dusan tekent voor 3-1 en 4-1. We gaan winnen. De laatste vijf minuten van AZ – PSV zien we op de schermen in de Johan Cruijff ArenA. PSV blijkt niet bij machte om de gelijkmaker te produceren. We hebben de halve finale van de Champions League bereikt, de beker gewonnen en zojuist officieus het kampioenschap behaald. De komende zomer komen we er niet meer af. Van die wit-rood-witte wolk, want op die wit-rood-witte wolk is het leven toch het fijnst.

Er was ooit eens een ingetogen, tenger mannetje behoorlijk op leeftijd. Hij had de beide wereldoorlogen meegemaakt en dat had enorme littekens bij hem achtergelaten. Toch wist hij door helder en strategisch nadenken beide oorlogen uit handen van de Duitsers te blijven. Hij woonde samen met zijn vrouw in een boerderij op het vlakke, Groningse platteland. Tijdens de oorlogen bivakkeerden ze in een schuilkelder die hij, middenin het land dat hij beheerde, had gefabriceerd.

Hij was een trotse jood en droeg voor én na de oorlog zijn gele Jodenster zonder blikken of blozen op zijn lange, groene gewaad. De man in kwestie ging na de oorlog werken in laboratoria en kwam met de meest gevaarlijke stoffen in aanraking. Op een dag creëerde hij een formule. Niet zomaar een formule. Nee, dit was een formule dat ervoor zou zorgen dat het mannetje tot op de dag van vandaag wordt geliefd. De man overleed op 19 april 1973. Op zijn sterfbed overhandigde hij de formule aan één van zijn zonen.

De desbetreffende zoon was een fanatiek voetballer en kwam via vele omzwervingen bij het Amsterdamse Ajax terecht. Na een korte carrière, die door een slopende blessure ten einde kwam, ging hij aan het werk als fysiotherapeut bij Ajax. Toen hij in 2013 ging verhuizen stuitte de masseur ineens weer op die formule die hij toentertijd van zijn oude heer had gekregen. Hij was na al die jaren toch wel erg benieuwd en liet het onderzoeken.

Het bleek de formule voor de fluwelen traptechniek van Lasse Schøne te zijn. Maandenlang masseerde hij de formule in de benen van de Deen en op 5 maart 2019 was het dan eindelijk zover. Lasse Schøne schoot Ajax met een loepzuivere vrije trap naar de kwartfinale van de Champions League. En toen waren mijn gedachten nog heel even bij het ingetogen, tengere mannetje.

Ajax, de enige Hollandse troef in de knock-out-outfase van de Champions League, speelde vorige week in de Johan Cruijff Arena tegen Real Madrid. Op zich geen uniek gegeven. Dit affiche stond namelijk in het verleden geregeld op het programma in Amsterdam. Wat wel uniek was aan dit duel, was dat de Video Assistant Referee (VAR) voor het eerst in dit toernooi geraadpleegd kon worden.


In de zevenendertigste minuut legde Ajax-middenvelder Lasse Schöne een corner op het hoofd van, de jongste aanvoerder ooit in de Champions League, Matthijs de Ligt. Na gegrabbel van de Belgische ballenvanger in Spaanse dienst, Thibaut Courtois, kwam de bal terecht bij Ajacied Nico Tagliafico. Hij sprong naar de bal als een pitbull naar een homp vlees en knikte het leder kiezelhard tegen de touwen. Ajax op voorsprong, maar vooral Amsterdam en Nederland in extase!

Maar dan, de regie zette het beeld op scheidsrechter Damir Skomina die met een hand naar z’n oortje ging. Oh ja, die VAR was er natuurlijk ook bij vanavond. Die konden het Amsterdamse feestje nog verstieren. Extase maakte plaats voor bezinning en angst. Je zag de woorden ‘het zal toch niet’ door het hoofd schieten bij de Ajax-supporters.

Vermeend hinderlijk buitenspel van Ajax-spits Dusan Tadic was voor de VAR aanleiding om Skomina naar de beeldbuis aan de zijlijn te sturen. Drie minuten, wat gekonkel over en weer tussen de scheidsrechter en de VAR en een hoop Amsterdamse schietgebedjes later, gebeurde wat er werd gevreesd. Tot grote ontzetting van alle Amsterdammers keurde hij Nico’s goal af. Alsof er in Bolle Jan een heerlijk pikketanesie van de bar werd geflikkerd. Ajax ging in het restant van de wedstrijd jammerlijk onderuit met 1-2.

En zo kreeg Ajax de twijfelachtige eer om als het eerste VAR-slachtoffer van de Champions League de geschiedenisboeken in te gaan. Tja, de VAR. Het maakt het er eerlijker op, maar het gaat aan de andere kant ten koste van de charme van het mooie spelletje. Dat je de oprechte vreugde na een doelpunt nog drie minuten later kan ontnemen, lijkt mij een brugje te var.

Ik zie Donald Trump omhelst worden door een bierdrinkende Kim Jong-un, een baby met een lange baard en ook Super Mario en Luigi zijn weer aanwezig. Ik doe de stekker van de kerstverlichting in de woonkamer in het stopcontact en ondertussen hoor ik Russ Bray ‘one hundred and eightyyy’ schreeuwen. Dat kan maar één ding betekenen. Het WK Darts is weer begonnen en wat ben ik blij dat het weer ‘that time of the year’ is.

Het wereldkampioenschap van de Professional Darts Corporation wordt altijd in de laatste weken van het jaar afgewerkt en is inmiddels uitgegroeid tot een kleurrijke melting pot van allerlei opvallende personages. Het toernooi in combinatie met het eclatante deelnemersveld en het uitzinnige publiek brengt een hoge vermakingsfactor met zich mee. Het is carnaval in het kwadraat in het Alexandra Palace in Londen. Het mythische ‘Ally Pally’ zit steevast bomvol met publiek die een spannend potje darts met veel gezang en een schitterende sfeer kunnen omlijsten.

Zo heb ik dit jaar alweer een hyperactieve Filipijn van anderhalf turf hoog bijna zien stunten tegen een Nederlander van twee meter, een Russische dame het vuur aan de forse schenen zien leggen van een iets te zware Engelsman en een Spaanse automonteur een Schotse ‘Santa’ naar huis zien gooien. Onder andere de Schotse kerstman, Peter Wright in het dagelijks leven, is een speler die af en toe met zijn outfits mijn plaatsvervangende schaamte kietelt, maar dat is ook de charme van de sport. Het is heerlijk om een man van middelbare leeftijd op een podium te zien strijden tegen zijn eigen ongemakkelijkheid.

Op nieuwjaarsdag wordt het duidelijk wie zich in 2019 wereldkampioen darts mag noemen totdat over ongeveer tweemaal ‘one hundred and eighty’ dagen het hele spektakel opnieuw begint. Dat duurt nog even, maar gelukkig heb ik nog twee volle weken darts voor de boeg. Mariopakje aan, het bier koud en de komende dagen lekker ‘one hundred and eighty’ schreeuwen. ’t Kan minder.

Anderhalf uur heb ik in de bus gezeten voor de competitiewedstrijd met Heerde, of all fucking places. We moeten winnen om aansluiting te houden met de top van de ranglijst. Als ik om me heen kijk zie ik een tribune met geelzwarte stoeltjes, achter ons doel staan vijftien ouderen die het voetbal hebben uitgevonden en ik zie een kantinegebouw waar de sfeer van een begrafenisonderneming omheen hangt. Het zonnetje schijnt nog als we beginnen, maar gedurende de eerste helft kletteren de hagelstenen en regendruppels op ons neer. Daar sta ik dan met mijn goeie gedrag. Gevoelstemperatuurtje -12 en een lekker kort broekje aan. De gure wind snijdt langs mijn snotneusje. Wat een hobby.

Dinsdagavondtraining. Sokkies aan, schoentjes aan en gaan. Geen handschoenen natuurlijk, want dat is voor aanstellers. Ons trainingsveld is niet om over naar huis te schrijven. Varkens zouden er zich geweldig in kunnen vermaken, maar een bal zonder stuiter aanspelen is vrijwel onmogelijk. Ik ben al een aantal keren door de draaimolen gekomen in de rondo, als ik duizelig aan het positiespel begin. De training verloopt verder redelijk, maar dan wordt duidelijk dat we sprintjes moeten gaan trekken. Daar heb ik toch wel zo’n gruwelijke hekel aan. Met frisse tegenzin werk ik ze af. Wat een hobby.

Ik denk dat ik het ergste van de dinsdagavond dan wel gehad heb. Aan het einde spelen we nog partijtjes scherp. Op zich leuk, maar de doelen staan nog niet op de juiste plek. Het doel dat ik met mijn teampje moet tillen staat twee velden verderop. Drie teamgenoten en ik lopen erop af en op dat moment krijg ik spijt. Die handschoentjes waren misschien toch wel handig geweest. Ik sjouw met ijskoude handen het doel van de ene kant naar de andere kant van het complex. Wat een hobby.

De wedstrijd tegen Heerde gaat op zich redelijk. We creëren de mooiste kansen op een doelpunt en zijn eigenlijk de gehele wedstrijd de bovenliggende partij. Totdat het noodlot in de absolute slotfase genadeloos toeslaat. Eén fucking counter spelen ze uit en wordt gepromoveerd tot doelpunt. Na negentig minuten zit ik doorweekt, verkleumd en puntloos in een kleedkamer in Gelderland. Ik vloek nog wat en besef me dan dat we ook nog anderhalf uur in de bus terug naar Valthermond moeten. Wat een hobby.

Is het al winterstop?