Als aangeschoten wild storten de leeuwinnen na het laatste fluitsignaal ter aarde. Ze zijn verslagen. ‘Onze jacht’ is geëindigd met een kogel in de rug. Het heeft niet zo mogen zijn. En is dat erg? Nee, natuurlijk niet. Het is logisch dat je een finale wilt winnen. Een finale wil je altijd winnen, ook al is het idee alleen al surrealistisch. In een finale heb je altijd een kans.

Natuurlijk ligt het niveau beduidend lager dan bij het mannenvoetbal. Je zou het niveau van een wedstrijd tussen Kameroen en Nieuw Zeeland op het WK Vrouwenvoetbal ook elke zondagavond op RTV Drenthe kunnen kijken tijdens ‘Onze Club’. Een programma waarin amateurvoetballers als Freddy Frikandel wekelijks shinen. Maar is het eerlijk om vrouwenvoetbal met mannenvoetbal te vergelijken? Nee. Sinds een aantal jaren groeit het vrouwenvoetbal en wint het aan populariteit. Mannen voetballen al meer dan een eeuw. Als ik iemand dan hoor zeggen dat het nergens op lijkt, dan zijn ze toch echt appels met peren aan het vergelijken. Iemand die al 70 jaar een sigaar rookt heeft daar ook minder moeite mee dan iemand die pas is begonnen.

Gedurende hun jacht op de wereldbeker verslinden de leeuwinnen tegenstander na tegenstander. Ze zijn te sterk voor achtereenvolgens Nieuw-Zeeland, Kameroen, Canada, Japan, Italië en Zweden. Soms met redelijk voetbal, soms op karakter. En is dat erg? Nee, natuurlijk niet. Het maakt een team eerder completer. In de finale is het een ander verhaal. Vanaf minuut één is grootmacht Amerika de bovenliggende partij en onze leeuwinnen zijn dit keer de prooi. In de achtenvijftigste minuut worden de leeuwinnen gegrepen. Een stroper genaamd de VAR schiet hen neer. De Amerikanen worden bijgestaan en Oranje krijgt een penalty, in plaats van een corner, tegen. Via de elfmeter van Megan Rapinoe en een afstandsschot van Rose Lavelle wordt de droom van onze leeuwinnen gedood.

En is dat erg? Nee, natuurlijk niet. De leeuwinnen zijn een prachtige ervaring rijker, zullen als team gegroeid zijn en hebben daarnaast een schitterend wereldkampioenschap gespeeld. Zij waren de prooi en de Verenigde Staten had honger. Zo gaat dat. Volgend jaar staat er weer een mooi toernooi voor ze op het programma, de Olympische Spelen. Hopelijk staat er dan weer een affiche tussen deze ploegen op het programma en wat zullen de Oranjeleeuwinnen dan een honger hebben.

Het is woensdagochtend ongeveer tien voor zes. Ik schrik wakker. Het vaasje dat ik op mijn salontafel heb staan, is omgevallen. Mijn bed trilt. Mijn appartement trilt. Groningen trilt. De zoveelste aardbeving. Ditmaal eentje met een kracht van 3.4 op de schaal van Richter. De maat is vol.

Groningers worden ‘borendol’ van de excuses en het gedraai van Eric Wiebes, onze minister van Economische Zaken en Klimaat. Het kabinet heeft, na een vergelijkbare beving in Zeerijp vorig jaar, gepland om de gaswinning rond 2030 helemaal te stoppen. Maar voordat we dat jaar aantikken, ben ik waarschijnlijk al van tweehoog naar beneden getrild.

Daarnaast is het inmiddels pijnlijk duidelijk geworden wat er decennialang met de vele waarschuwingen van onderzoekers is gedaan. Niets! Vanaf 1961 wordt al aangetoond dat er aardschokken en bevingen worden vernomen in de Noordelijke provincies, maar dat is toentertijd door de NAM en de overheid naar het rijk der fabelen verwezen.

De bewoners van prachtige boerderijen, leuke appartementen en te kleine studentenkamers worden de laatste jaren echter steeds vaker geteisterd door aardbevingen. Groningers zijn bovenal ook mensen, meneer Wiebes. Mensen met gevoel, een gezin en een woning. Dingen waar men waarde aan hecht. Als het dan ook nog duidelijk wordt dat de veiligheid van deze Groningers geenszins een rol speelde tijdens het boren naar gas, dan gaat ons haar helemaal omhoog staan. De voornaamste drijfveer was dat er zoveel mogelijk gas en dus zoveel mogelijk geld uit de aarde geboord moest worden. Dat kan dan blijkbaar over de rug van de nietsvermoedende Groninger.

Bij een gemiddelde aardappelboer in Loppersum springen intussen de ruiten plotseling, bij de buurvrouw trillen de koffiekopjes van tafel en de voorgevels van karakteristieke boerderijen zitten vol met scheuren. Groningers zijn de aardbevingen en aardschokken meer dan zat. De gaswinning dient op kortere termijn te worden stopgezet.

Onze gezinnen zitten onnodig in een onveilige situatie. Het is wachten totdat de eerste slachtoffers een feit zijn en dan mag die rare Kwiebes, wat mij betreft, de stoffelijke overschotten van de Groningers persoonlijk onder een stapel bakstenen vandaan halen. Kijken of hij het dan nog eens ‘bevinkje’ durft te noemen.

Douwe, ouwe reus. Als ik ‘s ochtends mijn bed uit ga, ben jij het eerste waar ik aan denk. Het is jouw pure energie wat ik in de ochtenduren het liefst tank. Door jouw cafeïne word ik geleidelijk aan wakker. Mijn ontbijt met Douwe en een broodje van de bakker.

Douwe, ouwe reus. Ik weet het heus. Van jouw boontjes krijg ik een hoop energie. Waardoor ik ondanks de boompjes het bos weer even zie. Dankzij jou houd ik het iets langer vol. Dankzij jou is mijn hoofd iets minder vol.

Douwe, ouwe reus. Er gaat niets boven jou tijdens koffietijd. Een ééntweetje tussen jou en een gevulde koek is iets wat ik zeker niet mijd. Een gouden combinatie die ik geregeld langs laat komen. Het is zelfs een combinatie waar ik af en toe van lig te dromen.

Maar soms, dan gaat het allemaal even te gek. De dagen waarop ik je van boven en van onder lek. De dagen dat ik misselijk word van je geur. Wanneer ik de dertiende Douwe van de dag naar binnen pleur. Een overkill dat over mijn tong pist. Heb ik je ooit wel eens gemist?

Douwe, ouwe reus. Maak je maar geen zorgen. Als jouw zwarte goud mijn huig kietelt en langzaam naar binnenstroomt, dan weet ik weer waarover ik heb gedroomd. Die mindere dagen neem ik op de koop toe. Zonder jou, ‘Gouwe, ouwe Douwe’, is er namelijk niets meer wat ik doe.

Ik heb vandaag de eerste afspraak met deze krant en ik ben aan de late kant. Ik stap op mijn mountainbike en begin te racen. Mits ik op mijn fiets stap, begint het te regenen. ‘Is het zo’n dag?’, denk ik bij mezelf. Om de hoek bij de vismarkt passeer ik een paar fietsers en kijk ik een aantal keren afkeurend om. Door hen heb ik zojuist kamikazecapriolen uit moeten halen om tegenliggers te ontwijken. Gelukt, maar het noodlot slaat toe als ik het zebrapad bij de Albert Heijn op de vismarkt nader..

Ik ben normaal gesproken een nonchalante fietser. ‘Losse handjes’ en de tas over mijn schouder. Het is een garantie voor onheil en dat onheil blijkt dichterbij dan ik op dat moment denk. Ik fiets nonchalant, maar hard. De regendruppels kletteren op mijn voorhoofd en opeens slaat mijn ketting over. Ik schiet met mijn voet van de trapper en daar lig ik. Kijk, je kunt een keer vallen met de fiets. Dat gebeurt wel eens, maar in de categorie ‘op je bek gaan met de fiets’ was dit een klassieker. Keihard op m’n bek en dat op het drukste zebrapad van het noorden. Ik krabbel op en denk: ‘ja Tom, het is zo’n dag’.

Bovenstaande is inmiddels een aantal maanden geleden en tegenwoordig is alles anders. Onlangs heb ik de fietsenstalling namelijk verrijkt met een retroscooter. Ik heb hem via marktplaats op de kop getikt en ik heb er al aardig wat kilometertjes mee gevreten. Helemaal nu het steeds mooier weer wordt, haal ik mijn witte asfaltmonster voor elk wissewasje uit de garage. Hij loopt als een tiet en aangezien ik middenin de binnenstad woon, is het voor mij nu al de aankoop van het jaar.

Ik heb mijn jas laten liggen bij een kameraad. Die woont om de hoek bij de vismarkt. Ik loop niet even heen zoals ik normaliter doe, maar ik pak mijn witte asfaltmonster en scheur over de vismarkt. De zonnestralen op m’n snufferd en de wind in het haar. Ik zoef een paar fietsers voorbij en kijk een aantal keren lachend om. Ik moet nog wel even in de ankers bij het beruchte zebrapadje, maar daar draai ik mijn hand niet meer voor om.

*Gaap*, even in mijn ogen wrijven. Nee, wakker ben ik allesbehalve. Een kop koffie en de krant van vandaag moeten daar verandering in brengen. Als ik halfslapend even koppensnel valt mij meteen iets op: ‘Nieuwe keizer, nieuwe jaartelling’. In Japan zal keizer Akihito op dertig april na dertig jaar aftreden. Ongekend, want normaal gesproken treedt een keizer van Japan alleen af wanneer hij overlijdt. Akihito heeft echter drie jaar geleden te kennen gegeven dat het werk te zwaar voor hem is. Daarom draagt hij de troon vroegtijdig over aan zijn zoon Naruhito. Erg bijzonder allemaal, maar het boeit me weinig. De eerste slok koffie is inmiddels wel genuttigd.

Ik lees verder en zie dan dat het Britse parlement op zoek is naar een nieuwe ‘Brexituitweg’. Dat is me toch ook een soap geworden. Groot-Brittannië is inmiddels een beetje die oude kat van je moeder. De hele tijd loopt hij bij de achterdeur te miauwen dat hij naar buiten wil, maar als je de deur opendoet dan blijft hij toch liever binnen. Als ik daarna op internet een filmpje zie van Lagerhuisvoorzitter John Bercow, verbaas ik me over het feit dat hij een zaal bekvechtende volwassenen probeert te kalmeren door meerdere keren ‘’ORDER!’’ te roepen. Het lukt uiteindelijk ook nog. De verbazing wordt even later weggenomen door de aroma die Douwe over mijn tong pist.

Als ik halverwege mijn kopje koffie ben, lees ik dat een keeper dit weekend knock-out is geslagen door een grensrechter. De
wedstrijd tussen VV Uno uit Hoofddorp en het Haarlemse Geel-Wit escaleert in een opstootje, waarin er over en weer geslagen wordt. De hardste klap wordt uitgedeeld door een 34-jarige(!) grensrechter. Hij slaat de keeper van VV Uno bewusteloos en laatstgenoemde loopt een hersenschudding op. De verbazing die Douwe eerder weg had gespoeld, sijpelt weer door. Hoe kan iemand van fucking vierendertig zich zo laten gaan? Ik kan er in ieder geval niet bij.

Zo, op. Ik zet mijn mok in de vaatwasser en geniet nog even van de nasmaak. Ja, de koffie was lekker, maar het nieuws was niet echt spectaculair vandaag. Desondanks ben ik dankzij de krant en de koffie wel een beetje wakker geworden. Daar doe ik het voor. *Gaap*

Het is maandag rond het middaguur, als ik in de bus van Groningen naar Emmen zit. Ik tuur, ietwat duf nog van het carnavalsweekend, over de strakke velden van Queens Grass de verte in. Het is een typische maandag. Guur zoals alleen een maandag kan zijn. Het regent en de bus is ietwat beslagen. Dat vind ik meestal een beetje irritant of smerig, maar vandaag maakt het me allemaal niet zoveel uit.

Ik ben begonnen aan de reis van vandaag, die me zal leiden naar onze hoofdstad. Ik ben niet, zoals wel vaker in mijn column voorbij is gekomen, onderweg naar die vliegende schotel waar geen gras wil groeien. Dat waren in 2009 de legendarische woorden van de even legendarische NOS-verslaggever Gerri Eickhof over de Johan Cruijff Arena.

Nee, ik ben onderweg naar AFAS Live. De voormalig Heineken Music Hall is vandaag het decor van het Country2Country Music Festival. Tijdens dit muziekspektakel, dat normaal alleen in Londen plaatsvindt, zullen vandaag een aantal wereldsterren het podium gaan betreden en dat kan ik als diehard countryfan natuurlijk niet missen. Bij zijn is immers meemaken.

Als ik met mijn vinger een smiley in de condens heb gezet, shuffelt Spotify me naar een liedje van Keith Urban. ‘Blue ain’t your color’ danst door mijn trommelvliezen. Een heerlijke plaat en de strakke velden van Queens Grass hebben plaatsgemaakt voor de binnenkant van mijn ogen.

Ik dwaal alvast af naar het concert waar ik straks getuige van ga zijn. Een concert waar diezelfde Keith Urban ook op zal gaan treden. Ik probeer me al een voorstelling te maken, maar zoals bij ieder countryconcert zal het al mijn verwachtingen waarschijnlijk weer gaan overtreffen.

Ik kan het nog niet eens beseffen dat deze legende nu in Nederland is en voor nu moet ik het nog maar even met Spotify doen. Over een aantal uurtjes zal ik ‘Blue ain’t your color’ echter live met Keith meezingen en ik kan maar moeilijk wachten tot het moment dat het magnifieke gitaarspel van deze sympathieke Australiër live door mijn trommelvliezen danst.

Op dat moment zal ik nog even denken aan de velden van Queens Grass en die smerige condens in de bus. Waar een gure, regenachtige maandagmiddag wel niet goed voor kan zijn.

Het is maandagavond, bijna half tien en ik sta met mijn blauwgrijze rugzakje bij bushalte Heidelberglaan in Utrecht. Het is koud en de gure regen scheert langs mijn gezicht. ’t Kan beter, denk ik op dat moment. Over vijf minuten komt de bus die me via stadion De Galgenwaard naar het station brengt. De buschauffeur die me in eerste instantie minimaal begroet, blijkt me daarentegen goedgezind. Hij sjeest alsof hij weet dat ik anders mijn aansluiting met de trein niet haal.

Als ik op het station aankom, heb ik zelfs nog tijd om een klein pastaatje te scoren bij Julia. Met het bakje pasta onder mijn arm en een flesje water in mijn jaszak, loop ik naar de trein en kan ik rustig gaan zitten om richting het mooie Groningen te gaan. In de trein installeer ik mezelf optimaal zodat ik deze column voor de Westerkrant kan gaan schrijven.

Met het penne naturel tussen mijn tanden begin ik te tikken. Zojuist heb ik mijn eerste officiële college van de deeltijdopleiding Communicatie aan de Hogeschool Utrecht gehad. Het is even wennen om na zes jaar weer colleges voor te moeten bereiden en überhaupt huiswerk te moeten gaan maken, maar ging me niet slecht af. Voor een eerste college mag ik in ieder geval niet klagen.

Niet alleen voor mezelf is het weer even wennen. Tijdens het college begon mijn laptop te ‘broezen’. Alsof het allemaal even te snel ging voor hem. Naast Word, dat ik gebruik voor mijn columns, wordt mijn laptop namelijk niet tot nauwelijks gebruikt. Tot nu dus. We zijn terug in de schoolbanken en dat betekent overuurtjes voor mijn oude, vertrouwde typemachine.

Gelukkig kunnen we allebei de komende anderhalve week alweer een beetje bijkomen. Volgende week is namelijk collegevrij. Alsof ik alweer jaren naar school ga, moet ik toegeven dat ik dat toch wel erg lekker vind. Ik lig volgende week maandagavond rond half 10 dan ook mooi met mijn grijze joggingbroek op de bank, lekker warm bij de kachel en dan denk ik op dat moment: ’t kan minder.

Ik zit achter het stuur. Cruise control op 130 km/h. Het asfalt glijdt onder mij door. In de verte voert een auto groot licht. Dommelend rijd ik in een zilvergrijze auto terug naar huis, na weer een lange dag werken. Ik tik een ander liedje aan in mijn playlist en mits word ik ingehaald door een prachtige, matzwarte, Amerikaanse pick-up truck. In het kielzog van de pick-up kletteren regendruppels op mijn voorruit. De ruitenwissers slaan ze er op hun beurt weer van af. Het is koud en donker. Ik heb mijn verwarming ingesteld op standje Sahara. Alle ingrediënten voor een heerlijk afdwaalmoment.

Ik begin na te denken over het leven. Het leven zoals ik dat nu lijd en ik denk meteen aan mijn cruise control. Ik zie overeenkomsten. Niets beseffend, maar gewoon op de automatische piloot. Dat is mijn leven. Op tijd sta ik duf op. Al wrijvend in mijn ogen doe ik het licht aan in mijn appartement. De douche wacht op me. Vervolgens poets ik mijn tandjes, klieder ik wat vet in mijn haar en zet ik de koffiepot op standje pruttel. Een broodje en een kopje pikzwarte koffie verder, stap ik in de auto. Op naar mijn werk. Daarna sport of relax ik, waarna het weer tijd is om wat slaap te pakken. Next day? Same shit. Ik realiseer me dat ik te weinig geniet.

Countrymuziek is bijvoorbeeld iets waar ik ultiem van kan genieten. Het liefst stond ik op dit moment op een veld te zingen: ‘’You know I like my chicken fried and cold beer on a Friday night’’. Samen met mensen die van dezelfde muziek houden als ik. Mensen waarmee ik een biertje kan drinken achterop de ‘tailgate’. ’s Avonds de trucks rond een kampvuurtje, ‘drink in my hand’ en mijn Nashville-petje verkeerd om op. En dan, aan het einde van de avond, de vrouw achter het stuur. Cruise control op 50 km/h. Het zand hobbelt onder mij door. In de verte reflecteren de oogjes van een haas in het licht van mijn koplampen. Dommelend rijd ik in mijn prachtige, matzwarte, Amerikaanse pick-up truck naar huis, na weer een lange dag genieten.

Tom schrijft

‘’Jingle bells, jingle bells, jingle all the way.’’ Het ritme van dit kerstliedje danst op het geluid van de regen dat tegen het raam tikt. Ik kijk naar de wedstrijd tussen FC Utrecht en Ajax via mijn laptop. De kerstverlichting versiert de woonkamer en ik haal mijn tweede kopje koffie van de dag uit de keuken. Terwijl ik weer lekker op de bank ga liggen, zie ik op televisie dat Vincent van der Voort moet spelen op het WK Darts. Zo kom ik mijn vrije zondag wel door, denk ik.

Als Dusan Tadic vanaf de penaltystip de 0-2 binnenschiet lig ik nog relaxter. Ik heb een luie zondag en bedenk me dan dat het jaar alweer bijna voorbij is. Het jaar waarin ik mijn eigen bedrijfje ‘Tom schrijft’ ben begonnen en dat zal toch altijd een beetje speciaal blijven. Ik knijp mijn billetjes nog even bij elkaar als FC Utrecht 1-2 maakt en op zoek gaat naar de gelijkmaker, maar dat blijkt onnodig want Frenkie de Jong maakt in de slotfase namens Ajax de 1-3.

Het WK Darts zit er ondertussen op voor Vincent van der Voort die zijn meerdere heeft moeten erkennen in Chris Dobey. Het begint ook steeds harder te regenen. Ik laat de hond uit en merk dat een paraplu geen overbodige luxe was geweest. Ik schenk bij terugkomst wat water voor de viervoeter in en schotel hem een bakje voer voor. Als hij het allemaal naar binnen heeft geschrokt komt hij content bij me liggen.
De samenvattingen van de eredivisie staan op het punt van beginnen. Het is het laatste voetbalweekend voor de winterstop. Er staan vier voetballoze weekendjes op het programma, maar gelukkig voetballen ze in Engeland wel. Daar is namelijk Boxing Day al jaren een bekend fenomeen en dat maakt Tweede Kerstdag toch een stuk draaglijker.

Ik hoop desalniettemin dat de regen stiekem nog zal veranderen in een beetje sneeuw, zodat we kunnen genieten van een witte kerst. Mocht dat niet het geval zijn, geniet dan vooral van het heerlijke eten, de gezelligheid en alle kerstliedjes die grijs worden gedraaid op de radio. Als zelfs dat niet lukt is er gelukkig altijd nog een speelronde in de Premier League.

Ik wil tot slot al mijn lezers, via deze weg, fijne feestdagen en een prettige jaarwisseling wensen. Tom schrijft en blijft schrijven. Op naar een succesvol 2019!

Het is vrijdagochtend als ik op mijn werk kom en mijn eerste kopje koffie nuttig. Het is vier dagen geleden dat Johan Derksen zich uit heeft gelaten over het feit dat ‘homo’s maar gewoon uit de kast moeten komen’. Niks nieuws zou ik zeggen. Derksen die een opmerking maakt waar iedereen met hele lange tenen, en dat zijn er genoeg in de huidige maatschappij, weer eens over valt.

Dat eerdergenoemde kopje koffie komt bijna weer omhoog als ik vervolgens de column van Thijs Zonneveld in het Algemeen Dagblad lees. Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik Thijs’ columns graag lees, maar vandaag is dat anders. Hij reageert op de uitspraken van de analyticus en wil daarmee gemakkelijk scoren.

Het is zeker niet allemaal even gepolijst wat er uit de monden van de mannen van VI komt. Waarheid als een koe, maar ik weet zeker dat het overgrote deel van de homoseksuelen in Nederland het niets uitmaakt wat ‘de snor’ of Gijp over hen zegt. Iemand met een beetje gezond verstand weet namelijk dat alles wat men aan die blauwe tafel zegt met een grote korrel zout genomen moet worden.

Zonneveld valt over het feit dat de mannen van Veronica Inside zich verschuilen achter de term ‘kroegpraat’, bier en borrelnootjes. Lekker makkelijk, volgens Thijs. Ik vind het juist lekker makkelijk van Thijs om zo te reageren. Lekker in lijn van alle VI-critici. Critici die waarschijnlijk nog nooit een voetbalkantine van binnen hebben gezien.

‘’We live in a sensitive world where everybody wants to be a victim’’, zei een Amerikaanse vriend van me ooit en dat is precies hoe ik ernaar kijk. Ik word er zelfs een beetje moe van. Iedereen die zichzelf om het minste of geringste tot slachtoffer bombardeert. Als Derksen het symbool is van de verhuftering van de maatschappij, dan is Thijs Zonneveld het symbool van de slachtoffersamenleving.

Ik sprak laatst een opa die een foto wilde maken van zijn kleindochter. Hierop besloot iemand om op de beste man af te stappen en te vertellen dat hij een vieze vent is, die foto’s van kleine meisjes maakt. Als meneer aangeeft dat het zijn kleindochter is, wordt er gereageerd met: ‘Ja ja viespeuk, dat zeggen ze allemaal’. Meneer wordt dus als pedofiel afgeschilderd terwijl hij gewoon een foto van zijn kleindochter wil maken. ‘’Wat moet ik daar nou mee?’’, vraagt de beste man verongelijkt aan mij. Ik kan hem alleen maar zeggen dat het de samenleving is waar we nu in leven en dat hij er weinig aan kan doen. Het baart de oude man en mij wel zorgen.

Ik raad daarom Thijs, en iedereen die over deze kwestie valt, aan om zondagmiddag in een voetbalkantine in de buurt te gaan zitten. Vaak weet men niet eens hoe het eraan toegaat in een voetbalkantine. Ik loop er meerdere malen per week en kan jullie vertellen dat er daar niet veel anders wordt gesproken als aan de tafel van VI. Essentieel detail daarbij is dat het in een voetbalkantine ook zeker niet uitmaakt of je zwart of wit, dik of dun, hetero of homo bent.

Leef en laat leven zeg ik altijd. Laat Derksen z’n opmerkinkjes maken, laat homo’s lekker op hun eigen manier uit de kast komen en maak je niet zo druk man. Alsjeblieft.