Ik vond je vanochtend in de hal
Met naast je hoofd een tennisbal
Tekenend voor deze grote allemansvriend
Die een waardig afscheid heeft verdiend

Maat
Makker
Ouwe reus
Vriend
Stakker
De gouden keus

De blafkoning
De altijd-in-voor-een-beloning
De schrokop
De is-het-nu-al-op?

De baliekluiver
De niet-helemaal-zuiver
De zak met bot
De verrotte prot

De takkensjouwer
De knuffelkauwer
De waterrat
Een echte schat

De alles-eter
De alles-kunner
De kan-niet-beter
De het-mag-wel-iets-dunner

De baas
De bewaker
De gids
De vermaker
De trouwe dienaar
Zo ontzettend dierbaar

Van de schrik van de buurt
Naar de Loebas waarmee het allemaal iets langer duurt

De liefste hond ooit
Klinkt het uit betrouwbare monden
Op de warmste plek in ons hart
En in de hemel voor honden

Beste Peter R. de Vries,

Uit al die reacties op jouw overlijden blijkt maar weer dat je een onuitwisbare indruk hebt achtergelaten. Op iedereen. De waardering voor al je moed, doorzettingsvermogen en vastberadenheid is oneindig. Superlatieven over jouw werk en jouw persoonlijkheid schieten tekort. Jij danste vol goede moed over dun ijs op een meer vol ijzingwekkende misdaad.

Jij trok je bek open, toen iedereen de andere kant op keek. Jij maakte vijanden, flipte oude tegels ondersteboven en schroomde niet om vuile handen te maken. Met altijd hetzelfde doel: het speuren naar dat allerlaatste sprankje hoop. Jij bracht temperatuur in cold cases en wrikte meerdere dossiers los die al jarenlang vastzaten, waarna gerechtigheid uiteindelijk toch kon zegevieren.

Angst kende je niet. Althans, zo deed je het voorkomen. Waar anderen zich gauw naar de oever van dat eerdergenoemde meer bewogen, sprong jij nog eens een keer extra hard op dat dunne ijs. Dat heeft iedereen kunnen zien toen jij besloot om de vertrouwenspersoon te worden van Nabil B., de kroongetuige in het Marengo-proces. Waarschijnlijk is dat de sprong geweest waardoor je door het ijs zakte. In dat meer vol gewetenloze, onverbiddelijke kutventjes – Neerlands hoop – die alles, maar dan ook werkelijk alles, doen voor een halve belofte van een zak geld.

Zoals Klaas Wilting – oud-politiewoordvoerder – zei: “Ik hoor allemaal grote woorden vanuit onze politiek, maar hun beleid ligt aan deze verschrikkelijke aanslag ten grondslag. Door eindeloze bezuinigingen op de politie, kunnen we te weinig de wijk in. Daardoor ontwikkelen zich broeinesten van jochies die dit soort delicten begaan zonder een uur minder te slapen.” Het is inderdaad tijd dat er in Den Haag een lading spiegels worden afgeleverd.

Hetgeen wat jou is overkomen, had nooit mogen gebeuren. Niets mag de journalistiek de mond snoeren. Zelfs niet als ‘ze’ hiertoe een poging wagen door één van de meest smerige, laffe, achterlijke en walgelijke manieren te kiezen. Opdat ook maar iemand een tiende van jouw werk voort mag zetten, ‘on bended knee, there is no way to be free’. Tot slot, één ding is in ieder geval zeker: daar waar je vijanden maakte, heb je nog veel meer vrienden gemaakt. Dat blijkt ook nu.

Jouw familie, vrienden en collega’s zijn ontroostbaar. Iedereen zendt hen alle kracht en sterkte toe. Ze zijn daarnaast onnoemelijk trots op je. Wij ook.

Namens het Nederlandse volk: bedankt, Peter. Voor alles.

“Ik kon een contract tekenen in de Eredivisie, maar besloot terug te gaan naar Valthermond”

VALTHERMOND – Albert (Appie) Koops heeft aangegeven te stoppen als hoofdtrainer van Valthermond. Volgend seizoen staat hij, mits corona dat toelaat, voor de spelersgroep van WKE. Helemaal afscheid nemen van de kicksen kan hij maar moeilijk. Decennialang staat hij dag in dag uit op het voetbalveld. Of dat nou in Valthermond, Emmen, Veendam of Herzlake is. Op het voetbalveld is hij thuis. In gesprek met Week in Week uit vertelt Koops zijn verhaal. Over het Paul Wardenburg-veldje, zijn wilde haren, gemiste kansen en natuurlijk over de onvoorwaardelijke liefde voor zijn dorp en zijn voetbalclub: VV Valthermond.

Op een bewolkte donderdagochtend wordt er aangebeld aan de Rooilaan in Valthermond, oftewel de voetbalstraat van het dorp. Praktisch iedereen die aan deze straat woont, heeft wel iets met de plaatselijke voetbalvereniging. Is het niet direct, dan wel indirect. Albert Koops groeit eraan op. Sinds zijn vijfde dartelen de vliegensvlugge voetjes en de losse heupjes van Koops door de straat. “Na het eten kwam iedereen uit de buurt naar het Paul Wardenburg-veldje. Dat was een grasveldje naast het huis van, je raadt het al, Paul Wardenburg. Daar voetbalden we met het halve dorp altijd tot laat in de avond.”

Koops’ voetbalcarrière kende volgens de hoofdpersoon zelf alleen maar hoogtepunten. Hij genoot met volle teugen, haalde fratsen uit waar de haren van de trainer nogal eens van omhoog gingen staan en vond de derde helft net zo leuk als de eerste en de tweede. “Als ik op een voetbalveld sta, geniet ik. Dat is altijd al zo geweest en dat zal altijd zo blijven”, vertelt de Mondker. Al van kleins af aan zit de bal aan zijn voeten gekleefd. Tot op de dag van vandaag legt hij de balletjes rustig dood wanneer deze als een ongeleid projectiel op de kleine voetbalfanaat afkomen. “Volgens velen had ik veel meer uit mijn voetbalcarrière kunnen halen. Dat geloof ik ook wel, maar ik heb er vrede mee. Ik heb ontzettend genoten bij alle clubs waar ik heb gespeeld”, verklaart Koops.

Dat zijn VV Valthermond, BV Veendam, FC Emmen, Herzlake in Duitsland en WKE. Hij speelt bij de ene club langer dan de ander, maar altijd kwam hij terug naar zijn geliefde dorp. Zelfs als hij de kans krijgt op een contract in niet de eerste de beste competitie, de Eredivisie: “Ik zat bij de selectie van BV Veendam toen het naar de Eredivisie promoveerde. Samen met Boy Nijgh reed ik altijd op en neer. We zaten na de wedstrijd altijd heel even in het spelershome, waarna we al gauw richting café ‘Why Not’ in Stadskanaal togen. Tot in de late uurtjes natuurlijk. Toch wilden ze me er graag bij houden in Veendam en misschien had ik mijn kans in de Eredivisie gekregen. Iedereen zou dat contract hebben getekend, maar Appie ging terug naar Valthermond. Die stond twee weken later ergens in de kou tegen Steenwijkerwold te ballen.” Hij schaterlacht: “Eigenlijk is het mooi, man. Wie doet nou zoiets? Ik dus.”

Het spreekt voor de goedlachse en sympathieke voetbalman. Onder de vleugels van wijlen Henk Nienhuis debuteert hij in het eerste van Valthermond. Koops is dan zestien. “Ik was door het dolle heen. Ik reed nog net niet met paard en kar door Valthermond. Zo blij was ik”, vertelt hij lachend. Al gauw verovert de doelgerichte linkspoot een basisplaats in de blauwwitte formatie. Het gaat hem gemakkelijk af. Voetbal is zijn ding, maar een winnaarsmentaliteit heeft hij niet echt. Of hij er nou kansloos met 3-0 afging of met 2-1 won en beide doelpunten voor zijn rekening nam. Hij had plezier en daar draaide het om: “Ik herinner me een wedstrijd tegen GRC. We verloren afgetekend en terecht met 3-0. Fluitend liep ik van het veld, zo was ik. Totdat ik de punt van de schoen van Klaas Oldenburger tegen de billen voelde. Een flinke schop. Mijn gedrag werd, volledig terecht overigens, niet altijd gewaardeerd. Ik keek wel op tegen oudere spelers als Oldenburger, Bennie Gerdes en Hendrik Baas, dus dan leer je dat gedrag wel een beetje af.”

Maar een vos verliest zijn streken niet. Zo krijgt Koops het geregeld aan de stok met trainers als hij weer eens een nachtje te lang in café Pierrot in Emmen zit: “René Notten was trainer bij FC Emmen en we leverden tegen N.E.C. een enorme wanprestatie. Het weerhield Wessel Woortman, Jan de Jonge en mij er niet van om de avond voor het verlies door te zakken in het café.” De mondhoeken van de levensgenieter beginnen alweer op te trekken en de karakteristieke lach verschijnt weer op zijn gezicht. “Appie, Jan en Wessel moesten zich van Notten om 6.00 uur ’s ochtends melden bij Haantjebak, een heuvel in Emmen”, gaat hij verder. De drie zitten alleen om 5.00 uur in de ochtend nog bij Pierrot en liggen een uur later, als de trainer bij de heuvel op hen staat te wachten, op één oor. In de week die volgt lijkt hun actie in de doofpot gestopt te worden, tot vreugde van de drie feestvierders. “De wedstrijd erop speelden we tegen koploper AZ. We voetbalden fantastisch en wonnen verdiend, maar na de wedstrijd had Notten nog een mededeling. We dachten dat hij een grap maakte: ‘Jan, Albert en Wessel vorige week heb ik jullie niet gezien, maar jullie hebben nog een rekening openstaan. Morgenvroeg 6.00 uur, Haantjebak.’ We baalden als een stekker, want na een gewonnen wedstrijd wilden we graag op stap. We hebben het even gevierd en zijn op tijd naar huis gegaan. De ochtend erop stonden we met z’n drieën bij de heuvel. Notten was in geen velden of wegen te bekennen. Hij flikte ons precies wat we hem geflikt hadden. Mooier kun je het eigenlijk niet bedenken.”

Via het debuut bij Valthermond, een blauwe maandag bij Cambuur, BV Veendam, FC Emmen, WKE en natuurlijk een afscheid Valthermond eindigt de veelbelovende carrière van het Valthermondje zo rond de eeuwwisseling. Dat hij zijn hoogtijdagen kent als de beide Koemannen bij FC Groningen vertrekken en er door de Trots van het Noorden gekozen wordt tussen Koops, Jos Roossien en Frank Rijkaard, die op dat moment een mindere periode kende bij Ajax, zegt genoeg. Die kwaliteiten bezat hij, maar uiteindelijk doet hij er te weinig mee: “Ik was te makkelijk. Ik vond het leven ook mooi.” Waar Roossien zich bij de groenwitten voegde en Rijkaard nog een kans kreeg bij de recordkampioen, maakte Koops tot zijn eigen plezier wederom de wandeling van de Rooilaan naar het Noorderdiep: “Als ik het bordje Valthermond te lang niet zag, dan werd ik gewoon beroerd. Ik kon slecht van Valthermond weg komen.”

Dat komt ook door een belangrijke man in Koops’ leven: Wim van den Heuvel. Vanaf de kennismaking tot op de dag van vandaag raakt hij de juiste snaar bij de talentvolle voetballer. Voor Van den Heuvel loopt Koops rustig zestien keer het Zuiderdiep op en neer. Zonder mokken. Zonder te zeuren om een bal. “Die man straalt zoveel warmte uit. Ik was meteen verkocht”, zegt Koops. Van den Heuvel wordt uiteindelijk de langstzittende trainer bij Valthermond. Maar liefst twintig jaar stuurt hij de blauwwitte formatie aan. “Die man was net een magneet. Als ik hem maar zag, vond ik voetbal weer leuk.” Het is één van de vele redenen waarom het kind van de club geregeld in het vertrouwde tenue van de Mondkers terugkeerde.

Na zijn actieve loopbaan wordt Koops trainer van alle jeugdelftallen van FC Emmen en is hij hoofdtrainer van het vlaggenschip van zijn Valthermond. Nu wacht een nieuwe uitdaging: WKE. “Dat is de enige club waar ik nog wel iets voor zou willen doen. Als zij niet waren gekomen, dan had ik mooi het hele weekend op de hoofdtribune van sportpark De Meent gezeten.” Ondanks dat hij dus wellicht de kwaliteiten heeft gehad om mee te draaien op het hoogste niveau, kijkt Koops met een glimlach terug. “Als ik de begeleiding had gehad, die jeugdspelers nu krijgen dan was ik waarschijnlijk veel eerder bij de kladden gegrepen. Tegenwoordig hebben kinderen al voor hun geboorte een zaakwaarnemer. Toentertijd was het: ‘Appie, wat kun je goed voetballen’, maar ik ben er nooit van naast mijn schoenen gaan lopen”, verklaart hij. Daarvoor had hij de voetbalschoenen te strak gestrikt. Tegenwoordig houden kleurrijke Van Bommeltjes de voetjes van Koops in het gareel en de wilde haren, die worden iedere ochtend nog altijd keurig gladgekamd op het bolletje van de zwierige Albert Koops: “Die verlies ik nooit.”

Albert Koops op het Paul Wardenburg-veldje. Foto: Tom Meijers

Gepubliceerd in Week in Week uit – 26 januari 2021

Voetbalkantine VV Valthermond

Ik kijk naar een televisie in een Drentse voetbalkantine. De beeldbuis is ietwat provisorisch opgehangen, maar qua beeld en geluid is het prima. Onder het genot van een versnapering laat ik de halve finale van de Champions League tussen Real Madrid en Juventus over me heen komen.

Pfuut, pfuut, pfuuuuut. Het is afgelopen. Het bodempje van mijn fles is nog bedekt met een klein laagje goudgeel toverdrank. Nadat ik dat achterover heb geslagen, merk ik dat het geluid van de televisie is uitgevallen. Althans, dat denk ik. Maar dat is niet terecht. Het is gewoon erg stil in Estadio Santiago Bernabéu. Het is niet gebruikelijk dat het in het stadion van ‘de Koninklijke’ stil is. Real is immers een ploeg dat vaker wint dan punten verspeeld. De stilte is een logisch gevolg van het feit dat Real Madrid zojuist haar meerdere heeft moeten erkennen in ‘De Oude Dame’.

Ik pak even mijn tijdmachine en reis terug naar vorige week. Het affiche Juventus – Real Madrid staat op het programma. Iedereen is ervan overtuigd: titelverdediger Madrid zou dat Italiaanse varkentje wel even wassen. Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat die overtuiging relatief terecht is, want wat heeft Juventus de afgelopen jaren in Europa gepresteerd? Twee dingen. Niks en helemaal niks. Ik betrap me er zelf ook op, maar dat is niet erg. Nu, een Italiaanse overwinning en een Spaans gelijkspel later, weet ik beter.

Ik kan niet wachten tot de finale tussen FC Barcelona en Juventus. Een finale vol helden en stiekem heb ik een lichte voorkeur voor Juventus dit keer. Niet voor mezelf, maar voor de oude rotten in dat team. Andrea Pirlo bijvoorbeeld, met zijn bazige baard en imposante lange haren. Een ‘leggenda vivente’, oftewel een levende legende. En dan heb je nog die fantastische sluitpost, Gianluigi Buffon. Alleen al van die naam begin je spontaan pasta te eten. Een keeper met onnavolgbare reflexen en indrukwekkende clubliefde. Hij staat al sinds 2001 onder de lat bij Juventus. Die vreugde wanneer ze nog één keer de cup met de grote oren omhoog mogen houden. Precies dat, dat zou ik graag op een provisorisch opgehangen televisietje willen zien.

Daar staan we. Klaar voor de start. Meer dan ooit ready voor een nieuw jaar. Omkijken doen we niet meer. We staren naar voren. Over de lange weg die we hebben te gaan. Langzaamaan buigen we de knieën. Licht voorovergebogen en vol concentratie wachtend op dat startsein. Het stadion is koud en leeg. Elke zucht scheert door het trommelvlies. Nog een rilling over de rug en het moment is daar. PANG! PANG! Valse start. Kut, maar we zijn nog niet gediskwalificeerd.

We zitten langs de inrijbaan. Toekijkend naar wat eigenlijk? Niets. Tot 19 januari staan we in de wachtrij om vervolgens weer op te starten als Erben Wennemars in zijn goede dagen op de 500 meter. PANG! We gaan los. De eerste meters verlopen voortvarend. Harde slagen de goede richting uit. De eerste winkels gaan weer open. Het sociale leven komt langzaamaan weer op gang. We gaan van twee mensen op bezoek naar vier, nee wacht, acht. Ach, dat maximum? Dat is verleden tijd.

Er vormen zich lange rijen. Publiek? Ja, het mag weer. Hongerig in de rij voor de rookworst van de Hema, de langverwachte vaccinatie en het stemhokje. De Tweede Kamerverkiezingen staan op het programma. We pakken allemaal datzelfde rode potloodje vast en kruisen aan wat we aan willen kruisen. We schudden onze handen stuk, leggen het hoofd op iemands schouder en slaan een arm om een dierbare heen. De breedte van de baan wordt volop benut.

De temperatuur in Thialf loopt op. Met rake klappen zoeven we door. De sportcompetities worden hervat, ook op amateurniveau. Yes! Wat gaan we lekker. Koningsdag wordt groots gevierd. Eigenaren van horecabedrijven zijn inmiddels dronken van geluk. De kassa puilt uit en de festiviteiten gaan door tot in de late uurtjes. Tot het moment dat Koos straalbezopen eindigt op de stoep van het gemeentehuis. Hij heeft verloren van dezelfde fles, die tussen zijn wijsvinger en duim ongeveer een meter boven de grond bungelt. Wat een feest. Gezelligheid voelt onwennig. Als de eerste keer op schaatsen. Tot de gang erin zit en het vanzelf lijkt te gaan.

We liggen op het schema baanrecord. Op het middenterrein kijkt iedereen verbaasd toe. De eerste monden vallen open. Het Europees kampioenschap voetbal begint. Oranje dartelt door de poule, verslaat tegenstander na tegenstander met speels gemak en de Hateboer-Berghuistrein is gaan lopen. Fabuleuze Frenkie, Meedogenloze Memphis en Onverschrokken Virgil loodsen Nederland naar de finale tegen Duitsland. In de achtenzestigste minuut komt Berghuis van rechts naar binnen,  haalt met zijn vernietigende linker uit en via de rug van Joshua Kimmich belandt de bal in het Duitse doel achter een machteloze Manuel Neuer. Als De Ligt in blessuretijd – het blijven Duitsers – een inzet van Müller van de lijn haalt, zijn we kampioen. Ongekend. Iedereen danst, zingt, feest, valt in de gracht en in elkaars armen. Donker, wit, blauw, geel of paars. Voetbal verbroedert als nooit tevoren. Racisme lijkt een vage herinnering aan een uiterst beroerd jaar.

We houden de vaart erin. Hoe harder, hoe gekker. Het wordt allemaal gevolgd door een medailleregen tijdens de Olympische Spelen in Tokyo, een weergaloze Verstappen die de Grand Prix van Nederland op zijn naam schrijft en, tegen alle verwachtingen in, pakt een Nederlandse club een Europese beker. Nederland laat dit jaar iedereen de hielen zien. Daar is de bel. Het schema wereldrecord komt in zicht. Zo succesvol als we in 2021 zijn, waren we nooit. We klappen door. Voor de wind. Tjak. Tjak. En dan is het december. De eindstreep binnen handbereik. Daar gaan we. Moegestreden, maar voldaan over de finish. Het zweet in de naad en het kwijl aan de kin. Hoopvol omhoog turend naar het scherm. Daar staat het: 2021. Wereldtijd.

“Schwere Stunden”, zo verwoordde een Oostenrijks medium de tien afgrijselijke minuten in Wenen vorige week. Zware uren. Maak er maar zware weken of zware tijden van. De moslimextremisten bijten de afgelopen tijd behoorlijk van zich af. Het begint bij de onthoofde leraar in Frankrijk, wordt gevolgd door de aanslag in Wenen en inmiddels zit een leerkracht uit Nederland ondergedoken. Verzin het maar. Voltijd imbeciel Saït Cinar doet ook een duit in het geschiftenzakje door zijn pistool te legen op het hoofd van Wilders.

“Ik zoek de provocatie gewoon op. Wilders probeert de profeet Mohammed te beledigen en de overheid laat dat gewoon toe”, verklaart Cinar. Volgens hem wordt er met twee maten gemeten: “Het is niet eerlijk. Jullie praten altijd over de vrijheid van meningsuiting. Ik doe iets tegen Wilders en het is meteen een doodsbedreiging.” Ik weet niet in welke wereld Saït leeft, maar veel fantasie heeft hij wel. Het is juist de mate van zwakzinnigheid waardoor je bijna medelijden met de man krijgt. Je zou hem overigens kunnen kennen, want het is niet de eerste keer dat de halve zool zich in de media moeit. Bij het CBR schijnen ze af en toe nog wakker te schrikken van hem. Eerder verkocht hij namelijk antwoorden van autotheorie-examens onder de naam ‘altijdgeslaagd.nl’. Hij wordt er naar eigen zeggen miljonair mee.

Na een onderzoek van de Belastingdienst, slaagt hij op zijn beurt met verve voor belastingfraude. Hij verblijft nu in Turkije omdat hem in Nederland een celstraf van twee jaar boven het hoofd hangt. De examens heeft hij bovendien ingeruild voor kleding, dat hij op zijn eigen ‘karakteristieke’ wijze via Instagram verkoopt. Ik zou niet weten wie er ook maar iets van hem koopt. Hij presteert het namelijk om in één zin zes keer kanker te roepen. Kankerwinkels, kankerkleding, kankersysteem, kankerkind, kankerbestelling, kankergeld. Dat heb ik nooit geleerd in een salestraining. Deze man noemt zichzelf trouwens ‘een voorbeeld’. Van hoe het niet moet, bedoelt hij waarschijnlijk. Goed. 200+ woorden alweer. Teveel eigenlijk om aan die dwaas vuil te maken. Terug naar de essentie.

Ik zit op de bank als het nieuws uit Wenen mij ter ore komt. Ik vlieg op, gris mijn laptop mee, zet me aan de keukentafel en schenk een bak koffie in. De uren die volgen worden gevuld met een livestream van een OE24.TV en Tweetdeck. Het duurt niet lang voordat ik het eerste filmpje voorbij zie komen. Een bewapende man in een wit gewaad wandelt door de straten van Wenen. Op zes verschillende plaatsen schiet hij argeloze voorbijgangers neer. Alsof het een computerspelletje is.

Vier personen laten die avond het leven in Wenen. Een oudere man en vrouw, een jonge passant en een vrouwelijke ober. Achteraf duurt het maar tien minuten, maar op dat moment spreekt de nervositeit op de gelaten van de Oostenrijkse antiterreureenheid boekdelen. Ze staan voor een uitdaging die ze niet hebben geleerd op de academie. Of ze die avond heelhuids thuis gaan komen, is maar de vraag. Met alle speculaties en onduidelijkheden, die gepaard gaan met deze aanslag, voelen minuten als uren voor de mensen in Wenen. Gedurende zijn daad schreeuwt de 20-jarige IS-sympathisant islamitische kreten. Hij bekoopt zijn actie even later zelf met de dood.

“God is de grootste”, is de vrije vertaling van de bekendste en meest gebruikte leus. Voor de meeste moslims zijn het twee waardevolle woorden die ze dagelijks tijdens het gebed in hun mond nemen. Dat is alleen niet het enige waar deze uitspraak voor wordt gebruikt. Velen kennen het van oorlogstaferelen, films of die verschrikkelijke onthoofdingsfilmpjes. Herinnert u zich ze nog? “ALLAHOE AKBAR”, wordt tegenwoordig direct geassocieerd met een terreurdaad. Het zijn de woorden die niemand wil horen.

Ik heb slecht nieuws. Personen die uiteindelijk de daad bij het woord voegen, zullen er altijd zijn. Het is niet te bestrijden. Met welk middel je het ook aanpakt. Op de één of andere manier zullen dit soort figuren altijd een mogelijkheid zien om toevallig passerende, onschuldige vaders, moeders, zonen en dochters letterlijk een mes in hun rug te steken. Uit haat. Uit kwade wil. Met een fucking cartoon, een vlammend betoog of een kritisch opiniestuk als brandstof.

Het is een gebed zonder end. Ik zal het citeren uit een eerdere column: ‘Wij. Journalisten, columnisten, cartoonisten, cabaretiers, maar ook leerkrachten. De sprekende gilde, zo je wilt. Wij zijn nieuwsgierig. Wij schrijven. Wij tekenen. Wij lachen. Wij maken grappen. Wij leven mee. Wij beelden in. Wij brengen discussie op gang en wij steken de draak. Met jou. Met jouw geloof. Met Jezus. Met Mohammed. Met een presentatrice die over zich heen laat plassen en met een mannelijke verslaggever die plots als vrouw door het leven wil gaan.

Mensen van het leven beroven zal dát nooit stoppen. Andermans eigendommen vernietigen evenmin. Het recht op vrijheid van meningsuiting is een grondwaarde in Europa. Het zal altijd met hand en tand worden verdedigd. Bovendien wordt dat een eitje tegen islamitische extremisten of überhaupt extremisten, die enkel als doel hebben om dood, angst en verderf te zaaien.

Tuurlijk zijn er mensen die ondertussen geen grotere angst kennen dan het horen van ‘Allahoe Akbar’ in een publieke ruimte. Dat is de verdienste, maar de verdienste van een geïndoctrineerde minderheid. Zij die het gedrag van terroristen veroordelen en zich ervan distantiëren, zijn met meer. Er is maar een beperkt aantal idioten dat oorlog wenst. Dat is hetgeen we ons altijd moeten blijven realiseren. Keer op keer. Aanslag na aanslag.

Tot slot, een tip van Tom. Aan al die sadisten. Als er nou iemand iets ridiculiseert waar jij op jouw beurt waarde aan hecht, lach er dan om of praat erover. Beter nog: maak ook eens een grapje. Dat mag gewoon hier in de vrije, Westerse wereld. Ik weet dat het maar twee lettertjes scheelt. Ridiculiseren of radicaliseren, maar het kan een wereld van verschil betekenen.

Het is vrijdagmiddag, rond half vijf in de middag. ‘Weekend’, moet Samuel Paty hebben gedacht. De docent rondt zijn werkzaamheden af en verheugt zich op zijn zoontje, die thuis op hem zit te wachten. Fatsoenlijk als hij is, groet hij ongetwijfeld nog één van zijn collega’s, de hardwerkende conciërge of een verdwaalde leerling. Geen haar op het hoofd van die collega, de conciërge of die leerling zou hebben kunnen bevroeden dat het Paty’s laatste groet zou zijn. Paty wordt omstreeks 17:00 uur in koelen bloede onthoofd. Op straat. Bij klaarlichte dag.

Een afschuwelijke aanslag. Eén uit naam van terreur, zo zou later blijken. Aboulakh Anzorov uit Tsjetsjenië snijdt die middag de keel van de vader van een kind van vijf door. Anzorov is zelf pas achttien jaar oud. Herstel: was achttien jaar oud. De Franse politie, bedolven onder Tsjetsjeense bedreigingen en tussen rondvliegende kogels, schiet Anzorov na een klopjacht dood. Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Paty is tot die bewuste vrijdagmiddag een geliefde geschiedenisdocent, die ook lessen aardrijkskunde en maatschappijleer geeft. Een leraar zoals elke leerling ze zou willen hebben, is te lezen in diverse Franse kranten. Bovendien iemand die de dialoog graag aangaat met zijn leerlingen. Iemand die grapjes maakt, maar als het moet streng kan zijn.

De middelbare school waar hij lesgeeft ligt in Conflans-Sainte-Honorine, een voorstad van Parijs. In de periode dat het proces tegen de aanslagplegers op Charlie Hebdo in volle gang is, laat Paty spotprenten van de profeet Mohammed zien. Niet uit het niets of om mensen te kwetsen. Nee, hij doet dat om de dialoog op te starten over de vrijheid van meningsuiting. Voordat hij de prenten presenteert, om even terug te komen op de fatsoensnormen van de docent, biedt hij elke leerling die er eventueel door geraakt zou kunnen worden de mogelijkheid om het lokaal te verlaten. Zo doet hij het al jaren. Nooit problemen. Tot nu. Waar de leerlingen met een islamitische achtergrond de vertrekmogelijkheid benutten, blijft er dit jaar één leerlinge met een islamitische achtergrond zitten. Als haar vader vervolgens van de les van Paty hoort, roept hij online een ‘fatwa’ in het leven. Een oproep waarin gevraagd zou zijn de leerkracht te onthoofden. Niemand spot met de profeet immers. Aangesterkt door de online steun van een ‘bekende islamitische militant’ voegt Anzorov een weerzinwekkende daad bij deze achterlijke woorden.

Het jongetje van vijf heeft daardoor geen vader meer. Geen voorbeeld. Ik vraag me af hoe hij straks op de middelbare school in de geschiedenisles zit. Zou hij dan aan zijn vader denken? Hoe is de aanslag op zijn vader uit te leggen? Volgens mij is er geen verklaring voor. Ik vind de daad bizar, maar ik vind nog iets anders curieus. De gelatenheid van het publiek en de media in Nederland. Alsof het een doorsnee nieuwsbericht is. Op de websites van verschillende kranten wordt het nieuws over het koningskoppel dat naar Griekenland vliegt boven een terreurdaad als deze verheven. In Frankrijk staan pleinen vol, betuigt een ieder steun aan nabestaanden van Paty en gebeurt er iets opmerkelijks. Geschokte imams reageren op het voorval. Dat gebeurt niet vaak na aanslagen van moslimextremisten, maar volgens één van de imams is het de hoogste tijd om als moslimgemeenschap wakker te worden. Ze schamen zich voor de dader en distantiëren zich van zijn gedrag. Anzorov is volgens hen het gif van de islam en Paty een wijs man die gemarteld is voor de vrijheid. In Nederland, waar na de Dam inmiddels is bewezen dat ook coronaproof bijeenkomsten binnen de mogelijkheden ligt, gebeurt verder helemaal niets. Geen groepen op de Grote Markt die een statement maken voor het vrije woord, geen groepen op het Malieveld met spandoeken voor Paty. Niets. Ik kan er met mijn hoofd echt niet bij.

Ik probeer me bovendien voor te stellen hoe het voor Paty’s leerlingen moet zijn. Onvoorstelbaar natuurlijk, maar ik doe een poging. De ene dag staat hun leerkracht nog vrolijk voor de klas. De andere dag is hij slachtoffer van bruut geweld dat hij met zijn leven moet bekopen. Ik dwaal even af naar mijn eigen middelbare schooltijd. Geschiedenisdocenten. Die van mij weet ik nog bij naam. Albert Eggens en Dethmer Smid. Een blokuur naar hen luisteren was geen straf. Ze hebben een onuitwisbare indruk op me achter gelaten. Niet in de eerste plaats omdat ik geschiedenis altijd leuk heb gevonden, al heeft dat er qua cijfers nooit echt op geleken, maar omdat zij hun eigen unieke wijze van lesgeven hebben. De één omdat hij zeer beschouwend, begrijpelijk en rustig verhalen kon vertellen – en omdat hij als mentor mij het voordeel van de twijfel heeft gegund terwijl anderen het niet in me zagen zitten – en de ander omdat hij van een geschiedenisles af en toe een heus theaterstuk maakte.

Ik weet niet of Smid en Eggens nog lesgeven. Misschien hebben ze een koerswijziging gemaakt en zijn ze een ander pad gaan bewandelen. Wellicht hebben ze kinderen. Een zoontje? Van vijf? Misschien ook niet. Geen haar op mijn hoofd die er aan wil denken dat hen iets dergelijks overkomt. Stel je überhaupt eens voor als dit in Nederland zou zijn gebeurd. Daar krijg je al de kriebels van. Wie kent niet iemand die in het onderwijs zit? Eén ding is me duidelijk. Paty’s lot hoort niet in Nederland, niet in Frankrijk en niet in deze wereld thuis. Zijn zoontje heeft tevergeefs gewacht op zijn vader. Ooit zal hij het willen begrijpen, maar wat valt er nou aan zoiets te begrijpen? Anders dan dat je kunt concluderen dat de mensheid toch echt verrot is.

Ik weet niet wat het is, maar ik heb altijd een grenzeloze fascinatie gehad voor bepaalde moord- en vermissingszaken. Opeens grijpen ze me naar de keel en ze laten niet los. Nooit. Ik kan diverse voorbeelden noemen: Rowena Rikkers, Nicky Verstappen, Natalee Holloway, Anne Faber en Ralf Meinema. Allemaal zaken waar ik geregeld nog eens over nadenk. Met name als ik op bed lig en de deuren van dromenland nog gesloten zijn. Wat, hoe, waarom? Vraag ik me dan af. Met name de zogenoemde ‘Kofferbakmoord’ van drie jaar geleden. De moord op Ralf Meinema. Misschien komt het omdat het ‘in de buurt’ is gebeurd of omdat de beelden nog altijd op mijn netvlies branden. De zwarte Mercedes met de neus in het water van het Stieltjeskanaal. De ruitenwissers zwiepen datzelfde water ritmisch van de voorruit van Ralfs auto. Ik blijf de zaak op de voet volgen. Onophoudelijk.

Eigenlijk probeer ik over alle bovenstaande zaken ieder stukje informatie die vrijkomt op te slaan. Het zijn allemaal verhalen van vermiste mensen die zomaar je schattige buurmeisje, lieve neefje of beste kameraad hadden kunnen zijn. Mijn hart gaat sneller kloppen bij het minste of geringste aan informatie. Een nieuwsbericht of pushmelding gerelateerd aan deze zaken en ik sta aan. Of het nou de verborgen camerabeelden van Joran van der Sloot, de aanhouding van Jos Brech of het wel of niet verlengen van de TBS van Mike J. betreft. Laatstgenoemde is de stiefvader en moordenaar van Rowena Rikkers. Die berichten grijpen me aan op de één of andere onverklaarbare wijze. Van loswrikken is geen sprake.

Ik merk ook dat ik het kwijt moet raken. Alle gedachten die door de verschillende gangen in mijn hoofd wandelen. Wat ik ermee moet, weet ik niet. Meestal schrijf ik het van me af, dus bij deze. Bovendien is aandacht voor dergelijke zaken van ongekend belang. Zonder aandacht verdwijnen ze uit het zicht. Het komt misschien nog ergens op een cold case kalendertje terecht. Dat wordt dan nog eens door een geïnteresseerde jongeman doorgebladerd, maar tot echte doorbraken leidt het vrijwel nooit. Dat moet voor familie en vrienden van de personen waar het om draait afschuwelijk zijn, dus is ieder podium en elk persoon die er weer eens van hoort mooi meegenomen.

Vorige week is de rechtszaak tegen Jos Brech gestart, de verdachte van de moord op Nicky Verstappen. In de hoop op antwoorden, volg ik het wederom op de voet. Meneer houdt de kaken nog altijd op elkaar. Op een vage, ingestudeerde videoboodschap na. Elke vraag die naar aanleiding van die boodschap wordt gesteld, wordt door Brech op aanraden van advocaat Gerald Roethof beantwoord met een beroep op het vijfde amendement. Het zwijgrecht. Oftewel – vooralsnog – geen antwoorden voor de familie en betrokkenen. Gruwelijk en frustrerend bovendien, maar door deze bijzondere, onsamenhangende verklaring is wel gebleken dat het net rondom Brech zich langzaam sluit en dus blijft er zicht op gerechtigheid.

Eenzelfde situatie lijkt zich nu te voltrekken voor de familie Meinema. De afgelopen dagen zijn er een aantal ontwikkelingen omtrent de brute moord op ‘Ralfie’. Kort resumé: Ralf Meinema wordt ontiegelijk toegetakeld en overleden teruggevonden in de kofferbak van zijn zwarte Mercedes. De klassieker hangt half in het Stieltjeskanaal tussen Coevorden en Zandpol. De dader(s) hebben hem willen laten verdwijnen, maar daar steekt de trekhaak van de Mercedes een stokje voor. Mijn adrenaline schiet bij elk nieuwsbericht over de Kofferbakmoord naar een hoogtepunt. De podcast van Renate Winkel en Bas van Sluis heb ik al wel veertien keer beluisterd.

De dader(s) hebben Ralf en zijn auto willen laten verdwijnen. Op dezelfde manier als de personen achter ‘de moord op de boekhouder’. Accountant Dirk Albert Hekman wordt in 2011, ongeveer zes jaar na zijn verdwijning, door stom toeval uit het Stieltjeskanaal gevist. Praktisch op dezelfde plek als waar de Mercedes van Ralf van de wal is geduwd. Een schipper is negen jaar geleden op een avond met zijn boot op de gezonken wagen van Hekman gevaren. Het is op die bewuste plek blijkbaar diep genoeg om iemand misschien wel voorgoed te laten verdwijnen. Het nieuws brengt de personen die Ralf en zijn Mercedes wilden verdonkeremanen in ieder geval op het idee.

Op de plek waar Ralf is gevonden, waait op het moment dat ik het bezoek een gure wind. Het is niet een plek waar je eventueel zou gaan zoeken naar een vermiste auto, is mijn mening. Een alledaagse plek, maar door bovenstaande gebeurtenissen niet meer zo alledaags. Lichte regen snijdt in mijn gezicht. Langzaamaan daal ik de steile wal af in het zompige gras. Ik  probeer zo goed en zo kwaad als het gaat mijn evenwicht te houden voor ikzelf in het water sodemieter. Vervolgens staar ik een aantal minuten voor me uit en om me heen. Wat een plek. Ik ken het tot dan toe alleen van de welbekende foto’s en beelden. Mijn sokken zijn inmiddels drijfnat. Diverse auto’s passeren gedurende die minuten mijn Volkswagen Uppie, die met alarmlichten aan in de berm heb geparkeerd. Ik verbaas me over het aantal voorbijrazende verkeersdeelnemers. Best veel. Aan de overkant snelt ook om de zoveel tijd een voertuig voorbij.

Tekst gaat verder onder de foto

Wat er precies is gebeurd die nacht in maart 2017 is tot op heden onduidelijk. Vrienden en familie wijzen allemaal een bepaalde richting uit. Een vriend die zich maf heeft gedragen na de vondst van Ralf blijft in het vizier. Hij is daarentegen niet één van de mannen die onlangs is aangehouden op verdenking van betrokkenheid bij de moord op Ralf. Dat zijn de 28-jarige Kenny B. uit Klazienaveen en de 42-jarige Hans O. uit Emmen. Laatstgenoemde is tevens de persoon waarmee Ralf die bewuste avond had afgesproken. Ralfs ouders houden stug vol. Zo zegt vader Wietze stellig in de podcast: “Er zijn mensen die meer weten. Als één van iets af weet, dan kan hij dat misschien voor zich houden. Als er twee mensen van iets af weten, wordt het al lastig. Maar als er drie mensen van zoiets af weten, dan komt dat vroeg of laat uit. Daar ben ik van overtuigd.”

Dankzij die aanhoudingen gloort de hoop weer volop. Mijn wens is natuurlijk de vader van mijn gedachte, maar desondanks hoop ik vurig dat er eindelijk wordt gepraat na drie jaar zwijgen. Net als bij de arrestatie van Brech, die inmiddels al tweeëntwintig jaar de kaarten tegen zijn borst houdt. Er moeten antwoorden komen op de vragen van vrienden en familie. Ik ben me ervan bewust dat ik natuurlijk makkelijk praten heb, want de ene keer denk ik eraan en de andere keer zet ik het even uit. Voor familie en betrokkenen is dat niet aan de orde. Het moet wel een onverbiddelijke nachtmerrie zijn. Een genadeloze kwelling om iedere dag een oog dicht proberen te doen na weer een etmaal niets te hebben gehoord. “Een dag voelt voor ons als een week”, vertelt de moeder van Ralf in de podcast. Ik wil me er alles bij voorstellen, maar dat kan ik niet. Zij staan jaar in jaar uit, elke dag op met de hoop op gerechtigheid. Dat is wat hen op de been houdt. Hoop, hoewel die soms ook tot de bodem van het Stieltjeskanaal moet zijn gezonken. Althans, dat is wat ik denk. Het zijn mijn zaken niet, maar dus ook een beetje wel.

Ik blijf in ieder geval aan hen denken. Aan de familie en vrienden van Ralf en de anderen die nog altijd met vragen blijven zitten. Voor wat het waard is: ik hoop met u mee. Houd moed en waanzinnig veel sterkte. Eerlijkheid duurt het langst en als het dan eindelijk de kop op steekt, is het hopelijk het wachten waard. Vroeg of laat komt ook de waarheid boven water.

Ags Connolly

en ik verwacht niet dat je het begrijpt...

Verrast ben ik, als ik opeens een aankondiging van een countryartiest voorbij zie komen op de website van het Dagblad van het Noorden: ‘Authentieke country van Ags Connolly klinkt bij VanSlag in Borger’. Mijn eerste gedachte is: ‘Daar moet ik bij zijn’. Mijn liefde voor countrymuziek heb ik nooit onder stoelen of banken gestoken. Ik weet er veel van en zing moeiteloos met de meeste countryartiesten mee, maar Ags’ muziek is nog niet uit mijn speakers gekomen. Daar komt in de dagen die daarop volgen verandering in, waarop ik besluit de stoute boots aan te trekken. Korte research leert me dat Ags nog in de lente van zijn carrière zit, dus ik waag er een berichtje op. Zit er een interview in? Dat is de vraag. Het antwoord van de traditionele countryzanger: “Ik denk dat we wel tijd kunnen vinden voor een interview, Tom!” En zo geschiedt. Op vrijdagavond 11 september 2020 spreek ik met Ags Connolly (38) op de zolder van VanSlag. Hieronder leest u zijn verhaal en maakt u kennis met een voormalig accountant die heeft besloten zijn hart te volgen en nu een leven als (te) bescheiden countryartiest leidt. Een leven waar hij zelf ook nog wel eens raar van op kijkt.

Onaangetaste bruine boots, een spijkerbroek en een blauw gestreepte blouse. Bij binnenkomst in VanSlag kan ik er niet omheen. Als hij zich omdraait wordt duidelijk dat een cowboysbelt het geheel samenhoudt. Daarboven? Een goede kop en een nog betere baard. Een lichtgroene cap maakt de bijzondere verschijning van de sympathieke Connolly af. Hij lacht. De boekhouder uit Oxfordshire staat vanavond op het podium van VanSlag en hij is blij: “Het is de eerste keer dat ik in Nederland ben, dus ik ben heel benieuwd en ik heb er erg veel zin in.”

Gewapend met een glas bier loopt hij de trap op naar de zolder van het poppodium in Borger. Op een zichtbaar comfortabele sofa begint Connolly te vertellen. Maar liefst dertien jaar werkt hij in de financiële dienstverlening. Een kantoormuis dus: “Ik haatte iedere minuut en op een gegeven moment verloor ik mijn baan.” Het is het startsein van de omslag in zijn leven. “Ik wilde eigenlijk songwriter worden en was geïnspireerd door grootheden als Bob Dylan en Leonard Cohen”, vertelt Connolly. Hij richt zich op folkmuziek, maar als hij op een avond op stap is met vrienden besluit hij het over een andere boeg te gooien: “Later zag ik James Hand country spelen. Mijn vrienden vonden het niks, maar ik wist het. Traditionele country is mijn ding. Het past beter bij mijn stem en bij mij als persoon.”

Hand wordt en is Connolly’s grote voorbeeld. Hij wijdt er zelfs een liedje aan: ‘I saw James Hand’. Om het liedje heen refereert hij geregeld aan de countrylegende. Hand is gedurende lockdown, in juni dit jaar, overleden. “Ik denk dat hij het allemaal niet meer aan kon. Dat hele gedoe met het coronavirus en dergelijke”, verklaart Connolly op het podium.

And if you’ve never seen James Hand, I won’t expect you to understand. He’s a hillbilly spirit that appears as a man. And I know, cause I saw James Hand.

Ags Connolly – I Saw James Hand

Bij traditionele country moet men niet denken aan de Luke Bryans, Brett Youngs en Jake Owens van deze wereld. Nee, in dit genre stelen Willie Nelson en Waylon Jennings de show. Daarbij moet men denken aan David Allan Coe, Johnny Cash en Johnny Paycheck. Stuk voor stuk verhalenvertellers en ‘outlaws’, waar veel mensen zich mee kunnen identificeren of waar ze tegenop kijken. “Ik vind Johnny Paycheck een geweldige vocalist. Door veel naar deze mannen te kijken, heb ik mijn eigen stijl proberen te ontwikkelen met diepgaande, persoonlijke teksten. Veel van mijn liedjes komen voort uit gebeurtenissen in mijn eigen leven.” Dat is volgens Connolly ook het geheime ingrediënt van countrymuziek: “Toen ik startte met deze muziek wilde ik diepte in mijn teksten. Daarom zing ik veel ‘sad songs’. Ik denk dat mensen het van nature interessanter vinden om naar verdrietige liedjes te luisteren. Daar voelen ze zich vaak beter door. Het stelt hun leven in perspectief en biedt inzicht in het feit dat het altijd erger kan.”

Tijdens zijn allereerste tour door Nederland wordt hij verwend. Iets waar de nederige Connolly maar moeilijk mee om kan gaan. “Het is heel raar. Mijn ‘booking agents’ rijden me door heel Nederland. Ze laten me allerlei mooie plekken zien en ik laat het allemaal over me heen komen, maar ik zorg er wel voor dat ik er niet gewend aan raak. Ik weet dat dit boven mijn stand is”, verklaart hij wederom bescheiden. Gedurende zijn concert vertelt hij meerdere keren op een bijna neerbuigende manier over zijn eigen werk. Met een cynisch lachje tot gevolg. Iets totaal onnodigs als je goed naar zijn werk luistert.

Ags Connolly op het podium van VanSlag in Borger, Nederland

Als Engelsman voor country kiezen, is opzienbarend. “In het Verenigd Koninkrijk wordt countrymuziek een beetje als een grap gezien. Al gauw komt dan de ‘cowboy- en linedancevergelijking’ op tafel”, legt de zanger uit. Hij gebruikt daarbij het woord ‘cheesy’. Het is helaas zoals het genre ook in Nederland ten onrechte wordt gezien. Het deert hem echter niet. Stoïcijns schrijft en zingt hij door, ondanks de mening van zijn directe omgeving. Eenzaamheid kent Connolly niet. Hij houdt ervan om alleen te zijn.  

Toch is de bakermat van de countrymuziek, Nashville, niet de plek waar Connolly het wil maken: “Er is zoveel competitie in Nashville. Er zijn teveel mensen die hetzelfde doen daar.” Hij geeft aan niet aangewezen te zijn op een bepaalde plek: “Ik zal in het Verenigd Koninkrijk blijven totdat ik een bepaald plafond heb bereikt voor mijn gevoel. Wanneer dat is, kan ik niet zeggen.” Over tien jaar wil Connolly terugkijken en kunnen zeggen dat hij de muziek heeft gemaakt die hij wilde maken. De ingetogen Engelsman en zijn muziek verdienen erkenning. “Ik wil tegen mezelf kunnen zeggen dat ik het helemaal zelf heb bereikt. Dat ik, wat ik dan heb, heb opgebouwd vanuit niets. Als ik dat kan zeggen, dan ben ik oprecht trots op mezelf.”

De aanwezigen die vrijdagavond in Borger luisteren aandachtig naar wat Ags te vertellen heeft. Een blik in de zaal bewijst het. Een aantal monden heeft de lippen niet meer op elkaar. Ogen staren geconcentreerd naar de Engelsman en veters dansen in de lucht als voeten op Connolly’s melodie meetikken. De sprookjesachtige setting in VanSlag werkt daarin bevorderend. Het schitterende kerkgebouw, de ingetogen opstelling afgewerkt met van die ouderwetse, geweven tafelkleden. Het zijn de ingrediënten voor een heerlijke avond, waar ikzelf oprecht van heb genoten. Van de eerste noot tot het laatste slokje bier.

Het is lastig om Connolly in één zin te vatten. Dubbelzinnig, eigenaardig, nederig, vriendelijk, allicht een karikatuur van zichzelf, maar bovenal een geweldige muzikant, die schitterende liedjes maakt. Met behulp van ‘Vocalzones’ brengt hij ze in Borger loepzuiver ten gehore. Tussen zijn liedjes door knabbelt hij er lustig op los. De reden? “Eén keer ben ik mijn stem kwijtgeraakt op het moment dat ik moest zingen. Ik voelde het opeens op mijn keel slaan en er kwam gewoon niets meer uit. Dat is echt het ergste wat een muzikant kan overkomen. Sinds ik deze snoepjes eet, is het nooit meer misgegaan. Misschien zit het ook wel tussen mijn oren. Wie zal het zeggen”, vertelt hij terwijl hij zijn schouders ophaalt. Hij opent nog een Warsteiner, deelt her en der een handtekening uit en vervolgt zijn eigen pad. Niet zoals een ander, maar zoals Ags. De excentriekeling.

En als je hem nooit hebt gezien, dan verwacht ik niet dat je het begrijpt. Hij kan meer dan hij denkt en de wereldwijde erkenning is een kwestie van tijd. Ik kan het weten, want ik heb Ags Connolly gezien.

Voordat je begint aan ‘201 Rhine Drive’, kun je beter eerst deel 1: ‘Glooperdiehot‘ en deel 2: ‘Piereschieter‘ lezen!

Deel 3: ‘201 Rhine Drive’

We praten over van alles en nog wat. Wat precies? Geen idee. Het is één van de vele gesprekken gedurende mijn verblijf in Nashville waar ik me vrijwel niets van kan herinneren. Hun namen? Al sla je me dood. Ik weet wel dat hij nogal scheutig was met de shotjes Fireman die middag. Lol hebben we zeker gehad. Gelachen? Onafgebroken. Scrollend door de foto’s veeg ik het stof van mijn herinneringen. Bij een aantal moet ik vaker vegen. Een enkeling is niet meer terug te halen. Hun namen bevinden zich in de laatste categorie. Op de foto erna sta ik samen met twee gasten op het dakterras van ‘Nudies Honky Tonk’. Hoe ik er ben gekomen blijft een raadsel. Ik vermeld zojuist stoer dat het ‘Nudies Honky Tonk’ is, maar daarbij heeft Google Streetview me geholpen. Die twee gasten zijn BJ Supple en Bronson Volk. Een notitie ergens in het duizelingwekkende archief van mijn telefoon leert me dat. Ik ontmoet hen terwijl het nog licht is. Het duo wordt met mijn toevoeging een drietal en we trekken de rest van de dag samen op. Zij zijn met vakantie, ik ben met vakantie. We drinken de hele middag en avond door en ergens in de nacht verlies ik ze uit het oog. Zo blijkt, want na een aantal foto’s met onbekenden kom ik bij het laatste filmpje van die avond. Bronson en BJ zijn er niet meer op te bekennen. Op het filmpje is wel te zien dat het druk is in Honky Tonk Central. Ik ben alleen en heb het geweldig naar mijn zin. Een band speelt ‘Callin’ Baton Rouge’ en het zoveelste biertje maakt mijn avond compleet. Dronken ben ik wel, maar het is mijn eerste dag in Nashville en het overtreft al mijn verwachtingen.

BJ Supple & Bronson Volk

De volgende dag word ik wakker en ik doe wat ik altijd als eerste doe ’s ochtends: mijn telefoon bekijken. Ik kan het niet vinden. ‘Huh, maar ik had hem toch nog vannacht? Hoe ben ik anders thuisgekomen’, vraag ik mezelf af terwijl ik mijn droge bek met een flesje water verhelp. ‘Dan zou ik hem al in de Uber die mij thuis heeft gebracht moeten hebben verloren’, bedenk ik me. Ik ben niet snel in paniek, dus rustig trek ik eerst nog alles in mijn kamer overhoop. Kussensslopen keer ik binnenstebuiten, het bed til ik op en zelfs mijn koffer wordt grondig doorzocht. De douane op het vliegveld zou jaloers zijn op de doorzoektechniek die ik uit mijn mouw schud die brakke ochtend. Niets. Mijn verzopen brein probeert de avond te reconstrueren, maar dat gaat – zoals je kunt verwachten – niet florissant. Met een bonzend hoofd strompel ik de keuken van mijn Airbnb in, wrijf eens in mijn ogen en zie een bewoner rustig zijn cornflakes wegwerken. Nadat hij anderhalve dag daarvoor kennis heeft gemaakt met ‘the drowned Dutchy’, is dat bij onze tweede ontmoeting niet anders. Wederom verzopen, maar ditmaal ook hopeloos verloren. Ik leg hem mijn ijzingwekkende probleem voor, waarop hij vervolgens zijn iPhone tevoorschijn tovert. Ik weet niet hoeveel schietgebedjes je in twee minuten kunt doen, maar ik doe er veel. Bizar veel, want mijn telefoon is alles op reis: navigatie, fotocamera, bank, bewaker van reisdocumenten en wat al niet meer. Ik realiseer me dat ik zonder mijn telefoon niet eens terug kan reizen en dan krijg ik het warm. Wanhopig staar ik in het luchtledige. Als ik ‘Zoek mijn iPhone’ niet aan heb staan, zijn de rapen gaar. En niet zo’n beetje ook. De vriendelijke bewoner vult mijn Apple ID in en we zoeken. Het duurt even en de zweetdruppels vloeien, aangesterkt door alle alcohol, inmiddels overal naar buiten en dan centreert er opeens een puntje op het beeldscherm. “I found it”, hoor ik en dat is alles wat ik op dat moment wil horen. Mijn telefoon blijkt aan de andere kant van Nashville te liggen en ik ben al opgelucht. Het is terecht, maar nu moet ik het nog terug zien te krijgen. Er staat een adres bij en ondanks dat ik veel stof op herinneringen heb liggen, zal ik dat adres nooit vergeten: 201 Rhine Drive.

Na een snelle douche staat de Uber al voor. Gestrest stap ik in, bedank de redder in nood vluchtig en vervolg mijn weg naar het desbetreffende adres. Eenmaal aangekomen, je verzint het niet, blijkt er niemand thuis. Ik bel aan en loop rondjes om het huis in de hoop een glimp van iemand op te vangen. Ik gedraag me een klein kwartier als een inbreker die rond een huis sluipt en dan geef ik het op. Ik besluit te wachten en ga naast de oprijlaan in het gras zitten. Het duurt lang. Heel lang. De hoop op het terugkrijgen van mijn telefoon, maakt het allemaal wel een stuk minder moeilijk. Waar ik anders al ongeduldig word wanneer iemand voor mijn gevoel twee seconden te lang voor een groen stoplicht blijft staan, kan ik hier moeiteloos uren in de tuin zitten. Het zonnetje schijnt en bij elke auto hoop ik dat het de bewoners van het huis aan 201 Rhine Drive zijn. Na drie kwartier zie ik een auto afremmen en mijn hart begint sneller te kloppen. Ze rijden alleen de verkeerde oprijlaan op. Die van de buren namelijk. Ik baal, maar blijf stug zitten. Ik moet wel, want waar ben ik zonder telefoon? Na anderhalf uur komen de buren naar buiten. Of het wel goed met me gaat. Tja, die zullen wel gedacht hebben: ‘die gek zit al zo lang bij onze buren op de oprijlaan’. Ik leg hun mijn situatie uit. Ze leven met me mee, geven me een flesje water  – waar ik op dat moment een moord voor zou hebben gedaan – en hopen met mij dat hun buren gauw thuis zullen komen. Na tweeënhalf uur is het dan eindelijk zo ver. Het moment van de waarheid. Een zwarte Volvo XC90 (lees ik in de rittenhistorie van mijn Uber-app) komt de oprijlaan op. Ik zie de Ubersticker op zijn raam en word al lichtelijk enthousiast. Het blijkt Olanrewaju te zijn (lees ik ook terug in de historie van mijn Uber-app) en hij draait zijn raampje naar beneden. Ik weet nog precies wat ik tegen hem zei: “Excuse me, sir. I’m really sorry to disturb you in your own garden, but I lost my phone last night in an Uber and ‘Find my iPhone’ says it’s here.” Voordat ik hem kan vragen of hij enig idee heeft, gaat zijn rechterarm naar de stoelleuning. In het bakje eronder zie ik het unieke hoesje van mijn telefoon al tevoorschijn komen. “Is this it”, vraagt Olanrewaju en ik kan mijn geluk niet op. Hallelujah. Het is terecht. Ik bestel meteen mijn ‘new best friend for ever’ als Uberdriver terug naar mijn Airbnb.

Onderweg lach ik samen met Olanrewaju over het avontuur wat ik mijn eerste dag en nacht in Nashville kan noemen. Ik scroll, net als nu, door de foto’s om eens te kijken of het reconstrueren van de avond nu wel lukt. Het lukt ietsje beter, maar dan zie ik een filmpje waarvan ik me totaal niets kan herinneren. Samen met iemand zing ik Bon Jovi’s ‘Livin’ on a prayer’. We hebben lol voor tien en volgens mij is dit weer een andere bar als waar ik de avond ervoor ben geëindigd. Zelf kom ik ook in beeld op dat filmpje en het bevestigt mijn vermoeden: ik was heel dronken. ‘Niet best’, denk ik. Gezellig? Dat wel. Verbaasd zit ik naast Olanrewaju te kijken naar wat er allemaal is gebeurd en dan zie ik op Facebook een vriendschapsverzoek van ene Mark Louis Pate. Een blik op zijn profielfoto leert me dat het die kerel is van het filmpje waarin we samen Bon Jovi imiteren. Mark blijkt ook alleen op reis te zijn en de rest van zijn vakantie, die dan nog vier dagen duurt, trekken we samen door de bakermat van de countrymuziek. We doen drankspelletjes met onbekenden, gaan uit eten, stellen nieuwe vriendschappen aan elkaar voor en dat wordt allemaal samengevoegd in een Whatsappgroep genaamd ‘Wolfpack’. Een groep eenzame wolven die in hun uppie het avontuur aan zijn gegaan en in de Wolfpack een gezamenlijke roedel vormen.

Mark is een gouden gozer, dat is me al snel duidelijk. We worden vrienden en een jaar later bezoek ik hem in New York, waar hij vandaan komt. We staan op skyscrapers, bezoeken een NBA-wedstrijd in Madison Square Garden en drinken bier in het oudste barretje van de stad. Weer een jaar later bezoekt hij Amsterdam, gaat er een wereld voor hem open als hij de FEBO ontdekt en drinken we een biertje op het terras bij Tante Roosje aan het Rembrandtplein. Nog steeds hebben we regelmatig contact en waar het kan, proberen we af te spreken om mooie herinneringen op te halen en nieuwe te maken. Vrienden voor het leven, maar wat als ik mijn telefoon niet had teruggevonden? Dan was deze vergeten onvergetelijke ontmoeting wellicht voor altijd vergeten…..