Ajax, de enige Hollandse troef in de knock-out-outfase van de Champions League, speelde vorige week in de Johan Cruijff Arena tegen Real Madrid. Op zich geen uniek gegeven. Dit affiche stond namelijk in het verleden geregeld op het programma in Amsterdam. Wat wel uniek was aan dit duel, was dat de Video Assistant Referee (VAR) voor het eerst in dit toernooi geraadpleegd kon worden.


In de zevenendertigste minuut legde Ajax-middenvelder Lasse Schöne een corner op het hoofd van, de jongste aanvoerder ooit in de Champions League, Matthijs de Ligt. Na gegrabbel van de Belgische ballenvanger in Spaanse dienst, Thibaut Courtois, kwam de bal terecht bij Ajacied Nico Tagliafico. Hij sprong naar de bal als een pitbull naar een homp vlees en knikte het leder kiezelhard tegen de touwen. Ajax op voorsprong, maar vooral Amsterdam en Nederland in extase!

Maar dan, de regie zette het beeld op scheidsrechter Damir Skomina die met een hand naar z’n oortje ging. Oh ja, die VAR was er natuurlijk ook bij vanavond. Die konden het Amsterdamse feestje nog verstieren. Extase maakte plaats voor bezinning en angst. Je zag de woorden ‘het zal toch niet’ door het hoofd schieten bij de Ajax-supporters.

Vermeend hinderlijk buitenspel van Ajax-spits Dusan Tadic was voor de VAR aanleiding om Skomina naar de beeldbuis aan de zijlijn te sturen. Drie minuten, wat gekonkel over en weer tussen de scheidsrechter en de VAR en een hoop Amsterdamse schietgebedjes later, gebeurde wat er werd gevreesd. Tot grote ontzetting van alle Amsterdammers keurde hij Nico’s goal af. Alsof er in Bolle Jan een heerlijk pikketanesie van de bar werd geflikkerd. Ajax ging in het restant van de wedstrijd jammerlijk onderuit met 1-2.

En zo kreeg Ajax de twijfelachtige eer om als het eerste VAR-slachtoffer van de Champions League de geschiedenisboeken in te gaan. Tja, de VAR. Het maakt het er eerlijker op, maar het gaat aan de andere kant ten koste van de charme van het mooie spelletje. Dat je de oprechte vreugde na een doelpunt nog drie minuten later kan ontnemen, lijkt mij een brugje te var.

Haar bruidsschat stelde maar weinig meer voor. Beetke van Rasquert (1480-1554) nam het heft in eigen handen nadat haar man, de schatrijke jonker Wigbold van Ewsum, in 1528 was overleden.

Ze wist als weduwe en ‘vrouwe van Nienoord’ het familiebezit flink uit te breiden en groeide uit tot de machtigste vrouw van de Groninger Ommelanden.

Beetke van Rasquert stamde uit een hoofdelingengeslacht. Dit betekende dat haar familie als invloedrijke personen werden gezien. Daarnaast bezaten de meeste hoofdelingen veel land en oefenden ze bestuurlijke en juridische macht uit. Ze werd geboren als dochter van Asinga Ailkema en Bywe in den Ham en was enig kind. Ze trouwde in 1502 met haar achterneef Wigbold en kreeg met hem ten minste vijf zoons en drie dochters.  

Turfwinning

Als bruidsschat ontving ze haar ouderlijk huis, de Ailkemaheerd bij Rasquert in Noord-Groningen. Ze verhuisde met haar man naar Hasselt omdat er een felle Gelders-Bourgondische strijd om de heerschappij over Groningen gaande was. Ze keerden in 1520 terug naar Groningen en kochten op grote schaal veenland in het Groninger Westerkwartier (Vredewold). Wigbold zag mogelijkheden om dit gebied af te graven voor de turfwinning en de ondergrond vervolgens te verpachten aan hen die er landbouw op wilden uitoefenen.

Uitbreiden

Wigbold overleed in 1528 en vanaf toen koos Beetke ervoor om in het Westerkwartier haar hoofdverblijf te vestigen, in borg Nienoord. Onder haar leiding werden de Nienoordvenen één groot, aaneengesloten gebied. Door een uitgekiend aankoopbeleid en met de nodige intimidatie wist zij de turfwinning tot een succes te maken. In 1531 werd ze erfelijk grietman van Vredewold. Dat was op dat moment de hoogste bestuurlijke functie die er bestond. Haar voorouders van de Ailkema-kant hadden inmiddels hun bezittingen en heerlijke rechten ruim uitgebreid en in 1537 erfde zij dit ook. Dat zorgde voor een enorme financiële impuls.

Gijzeling

Beetke stond bekend om haar hebzucht, maar dat leverde ook wel eens problemen op. Er lag namelijk rond 1537 een neefje van haar, Onno van Ewsum, op sterven. Zodra ze dat hoorde reisde ze met zoon Hidde af naar Mensinge, waar Onno lag. Ze had gehoord dat er een geheim testament zou zijn opgemaakt terwijl Onno niet meer bij bewustzijn was. In dat testament zou hebben gestaan dat Onno’s vrouw, Magdalena, al zijn goud- en zilverwerk en het levenslange gebruik van alle rechten en goederen toebedeeld zou krijgen. Beetke was het hier uiteraard niet mee eens en liet Onno’s lichaam uit de kerk van Roden halen. Vervolgens liet ze het testament ongeldig verklaren. Magdalena liet het er niet bij zitten en ging klagen bij de hoofdmannen. Haar vader was stadhouder van Groningen en met diens invloed werd ze in het gelijk gesteld. Beetke moest Magdalena direct compenseren. Uiteraard hield Beetke haar poot stijf, maar toen wachters van het stadsbestuur Beetke en haar familie gijzelden, ging ze overstag. Dit gebeurde op 18 maart 1538. Ze deed Magdalena een aanbetaling en werd vrijgelaten.

Erfgoed

Haar leven lang had ze het erfgoed van haar man bijeengehouden en uitgebreid. Haar bruidsschat stelde vrij maar weinig meer voor tegenover alle bezittingen die ze zich inmiddels verworven had. Twee jaar na haar dood werden al deze bezittingen verdeeld onder haar kinderen. De intimiderende en inhalige Beetke overleed in 1554 en werd begraven in Midwolde.

https://www.deverhalenvangroningen.nl/alle-verhalen/beetke-van-rasquert-een-intimiderende-machthebber

Het is maandagavond, bijna half tien en ik sta met mijn blauwgrijze rugzakje bij bushalte Heidelberglaan in Utrecht. Het is koud en de gure regen scheert langs mijn gezicht. ’t Kan beter, denk ik op dat moment. Over vijf minuten komt de bus die me via stadion De Galgenwaard naar het station brengt. De buschauffeur die me in eerste instantie minimaal begroet, blijkt me daarentegen goedgezind. Hij sjeest alsof hij weet dat ik anders mijn aansluiting met de trein niet haal.

Als ik op het station aankom, heb ik zelfs nog tijd om een klein pastaatje te scoren bij Julia. Met het bakje pasta onder mijn arm en een flesje water in mijn jaszak, loop ik naar de trein en kan ik rustig gaan zitten om richting het mooie Groningen te gaan. In de trein installeer ik mezelf optimaal zodat ik deze column voor de Westerkrant kan gaan schrijven.

Met het penne naturel tussen mijn tanden begin ik te tikken. Zojuist heb ik mijn eerste officiële college van de deeltijdopleiding Communicatie aan de Hogeschool Utrecht gehad. Het is even wennen om na zes jaar weer colleges voor te moeten bereiden en überhaupt huiswerk te moeten gaan maken, maar ging me niet slecht af. Voor een eerste college mag ik in ieder geval niet klagen.

Niet alleen voor mezelf is het weer even wennen. Tijdens het college begon mijn laptop te ‘broezen’. Alsof het allemaal even te snel ging voor hem. Naast Word, dat ik gebruik voor mijn columns, wordt mijn laptop namelijk niet tot nauwelijks gebruikt. Tot nu dus. We zijn terug in de schoolbanken en dat betekent overuurtjes voor mijn oude, vertrouwde typemachine.

Gelukkig kunnen we allebei de komende anderhalve week alweer een beetje bijkomen. Volgende week is namelijk collegevrij. Alsof ik alweer jaren naar school ga, moet ik toegeven dat ik dat toch wel erg lekker vind. Ik lig volgende week maandagavond rond half 10 dan ook mooi met mijn grijze joggingbroek op de bank, lekker warm bij de kachel en dan denk ik op dat moment: ’t kan minder.