Berichten

Deel 3: ‘201 Rhine Drive’

We praten over van alles en nog wat. Wat precies? Geen idee. Het is één van de vele gesprekken gedurende mijn verblijf in Nashville waar ik me vrijwel niets van kan herinneren. Hun namen? Al sla je me dood. Ik weet wel dat hij nogal scheutig was met de shotjes Fireman die middag. Lol hebben we zeker gehad. Gelachen? Onafgebroken. Scrollend door de foto’s veeg ik het stof van mijn herinneringen. Bij een aantal moet ik vaker vegen. Een enkeling is niet meer terug te halen. Hun namen bevinden zich in de laatste categorie. Op de foto erna sta ik samen met twee gasten op het dakterras van ‘Nudies Honky Tonk’. Hoe ik er ben gekomen blijft een raadsel. Ik vermeld zojuist stoer dat het ‘Nudies Honky Tonk’ is, maar daarbij heeft Google Streetview me geholpen. Die twee gasten zijn BJ Supple en Bronson Volk. Een notitie ergens in het duizelingwekkende archief van mijn telefoon leert me dat. Ik ontmoet hen terwijl het nog licht is. Het duo wordt met mijn toevoeging een drietal en we trekken de rest van de dag samen op. Zij zijn met vakantie, ik ben met vakantie. We drinken de hele middag en avond door en ergens in de nacht verlies ik ze uit het oog. Zo blijkt, want na een aantal foto’s met onbekenden kom ik bij het laatste filmpje van die avond. Bronson en BJ zijn er niet meer op te bekennen. Op het filmpje is wel te zien dat het druk is in Honky Tonk Central. Ik ben alleen en heb het geweldig naar mijn zin. Een band speelt ‘Callin’ Baton Rouge’ en het zoveelste biertje maakt mijn avond compleet. Dronken ben ik wel, maar het is mijn eerste dag in Nashville en het overtreft al mijn verwachtingen.

BJ Supple & Bronson Volk

De volgende dag word ik wakker en ik doe wat ik altijd als eerste doe ’s ochtends: mijn telefoon bekijken. Ik kan het niet vinden. ‘Huh, maar ik had hem toch nog vannacht? Hoe ben ik anders thuisgekomen’, vraag ik mezelf af terwijl ik mijn droge bek met een flesje water verhelp. ‘Dan zou ik hem al in de Uber die mij thuis heeft gebracht moeten hebben verloren’, bedenk ik me. Ik ben niet snel in paniek, dus rustig trek ik eerst nog alles in mijn kamer overhoop. Kussensslopen keer ik binnenstebuiten, het bed til ik op en zelfs mijn koffer wordt grondig doorzocht. De douane op het vliegveld zou jaloers zijn op de doorzoektechniek die ik uit mijn mouw schud die brakke ochtend. Niets. Mijn verzopen brein probeert de avond te reconstrueren, maar dat gaat – zoals je kunt verwachten – niet florissant. Met een bonzend hoofd strompel ik de keuken van mijn Airbnb in, wrijf eens in mijn ogen en zie een bewoner rustig zijn cornflakes wegwerken. Nadat hij anderhalve dag daarvoor kennis heeft gemaakt met ‘the drowned Dutchy’, is dat bij onze tweede ontmoeting niet anders. Wederom verzopen, maar ditmaal ook hopeloos verloren. Ik leg hem mijn ijzingwekkende probleem voor, waarop hij vervolgens zijn iPhone tevoorschijn tovert. Ik weet niet hoeveel schietgebedjes je in twee minuten kunt doen, maar ik doe er veel. Bizar veel, want mijn telefoon is alles op reis: navigatie, fotocamera, bank, bewaker van reisdocumenten en wat al niet meer. Ik realiseer me dat ik zonder mijn telefoon niet eens terug kan reizen en dan krijg ik het warm. Wanhopig staar ik in het luchtledige. Als ik ‘Zoek mijn iPhone’ niet aan heb staan, zijn de rapen gaar. En niet zo’n beetje ook. De vriendelijke bewoner vult mijn Apple ID in en we zoeken. Het duurt even en de zweetdruppels vloeien, aangesterkt door alle alcohol, inmiddels overal naar buiten en dan centreert er opeens een puntje op het beeldscherm. “I found it”, hoor ik en dat is alles wat ik op dat moment wil horen. Mijn telefoon blijkt aan de andere kant van Nashville te liggen en ik ben al opgelucht. Het is terecht, maar nu moet ik het nog terug zien te krijgen. Er staat een adres bij en ondanks dat ik veel stof op herinneringen heb liggen, zal ik dat adres nooit vergeten: 201 Rhine Drive.

Na een snelle douche staat de Uber al voor. Gestrest stap ik in, bedank de redder in nood vluchtig en vervolg mijn weg naar het desbetreffende adres. Eenmaal aangekomen, je verzint het niet, blijkt er niemand thuis. Ik bel aan en loop rondjes om het huis in de hoop een glimp van iemand op te vangen. Ik gedraag me een klein kwartier als een inbreker die rond een huis sluipt en dan geef ik het op. Ik besluit te wachten en ga naast de oprijlaan in het gras zitten. Het duurt lang. Heel lang. De hoop op het terugkrijgen van mijn telefoon, maakt het allemaal wel een stuk minder moeilijk. Waar ik anders al ongeduldig word wanneer iemand voor mijn gevoel twee seconden te lang voor een groen stoplicht blijft staan, kan ik hier moeiteloos uren in de tuin zitten. Het zonnetje schijnt en bij elke auto hoop ik dat het de bewoners van het huis aan 201 Rhine Drive zijn. Na drie kwartier zie ik een auto afremmen en mijn hart begint sneller te kloppen. Ze rijden alleen de verkeerde oprijlaan op. Die van de buren namelijk. Ik baal, maar blijf stug zitten. Ik moet wel, want waar ben ik zonder telefoon? Na anderhalf uur komen de buren naar buiten. Of het wel goed met me gaat. Tja, die zullen wel gedacht hebben: ‘die gek zit al zo lang bij onze buren op de oprijlaan’. Ik leg hun mijn situatie uit. Ze leven met me mee, geven me een flesje water  – waar ik op dat moment een moord voor zou hebben gedaan – en hopen met mij dat hun buren gauw thuis zullen komen. Na tweeënhalf uur is het dan eindelijk zo ver. Het moment van de waarheid. Een zwarte Volvo XC90 (lees ik in de rittenhistorie van mijn Uber-app) komt de oprijlaan op. Ik zie de Ubersticker op zijn raam en word al lichtelijk enthousiast. Het blijkt Olanrewaju te zijn (lees ik ook terug in de historie van mijn Uber-app) en hij draait zijn raampje naar beneden. Ik weet nog precies wat ik tegen hem zei: “Excuse me, sir. I’m really sorry to disturb you in your own garden, but I lost my phone last night in an Uber and ‘Find my iPhone’ says it’s here.” Voordat ik hem kan vragen of hij enig idee heeft, gaat zijn rechterarm naar de stoelleuning. In het bakje eronder zie ik het unieke hoesje van mijn telefoon al tevoorschijn komen. “Is this it”, vraagt Olanrewaju en ik kan mijn geluk niet op. Hallelujah. Het is terecht. Ik bestel meteen mijn ‘new best friend for ever’ als Uberdriver terug naar mijn Airbnb.

Onderweg lach ik samen met Olanrewaju over het avontuur wat ik mijn eerste dag en nacht in Nashville kan noemen. Ik scroll, net als nu, door de foto’s om eens te kijken of het reconstrueren van de avond nu wel lukt. Het lukt ietsje beter, maar dan zie ik een filmpje waarvan ik me totaal niets kan herinneren. Samen met iemand zing ik Bon Jovi’s ‘Livin’ on a prayer’. We hebben lol voor tien en volgens mij is dit weer een andere bar als waar ik de avond ervoor ben geëindigd. Zelf kom ik ook in beeld op dat filmpje en het bevestigt mijn vermoeden: ik was heel dronken. ‘Niet best’, denk ik. Gezellig? Dat wel. Verbaasd zit ik naast Olanrewaju te kijken naar wat er allemaal is gebeurd en dan zie ik op Facebook een vriendschapsverzoek van ene Mark Louis Pate. Een blik op zijn profielfoto leert me dat het die kerel is van het filmpje waarin we samen Bon Jovi imiteren. Mark blijkt ook alleen op reis te zijn en de rest van zijn vakantie, die dan nog vier dagen duurt, trekken we samen door de bakermat van de countrymuziek. We doen drankspelletjes met onbekenden, gaan uit eten, stellen nieuwe vriendschappen aan elkaar voor en dat wordt allemaal samengevoegd in een Whatsappgroep genaamd ‘Wolfpack’. Een groep eenzame wolven die in hun uppie het avontuur aan zijn gegaan en in de Wolfpack een gezamenlijke roedel vormen.

Mark is een gouden gozer, dat is me al snel duidelijk. We worden vrienden en een jaar later bezoek ik hem in New York, waar hij vandaan komt. We staan op skyscrapers, bezoeken een NBA-wedstrijd in Madison Square Garden en drinken bier in het oudste barretje van de stad. Weer een jaar later bezoekt hij Amsterdam, gaat er een wereld voor hem open als hij de FEBO ontdekt en drinken we een biertje op het terras bij Tante Roosje aan het Rembrandtplein. Nog steeds hebben we regelmatig contact en waar het kan, proberen we af te spreken om mooie herinneringen op te halen en nieuwe te maken. Vrienden voor het leven, maar wat als ik mijn telefoon niet had teruggevonden? Dan was deze vergeten onvergetelijke ontmoeting wellicht voor altijd vergeten…..

Deel 2: ‘Piereschieter’

Ik stap naar binnen bij Crazy Town, kijk naar Clawson en zijn gitaar en loop langs de familie. Nogmaals, het is 11:00 uur in de ochtend. Ik merk op dat de familie al aan de alcoholische versnaperingen zit. Een lichte twijfel, maakt gauw plaats voor een gedecideerde ‘Fuck it’. Het is mijn allereerste dag ooit in Nashville, ik luister naar live countrymuziek in een authentieke countrybar en ik kan nauwelijks bevatten dat ik mijn droom leef. Ik besluit chauvinistisch een Heineken te bestellen en plaats mezelf op een kruk om te genieten en ietwat voorzichtig mee te zingen met de liedjes die Clawson speelt. Lachend naar de familie aan de zijkant en de barvrouw, kan deze dromerige Drent zijn geluk al niet op na een halve dag Nashville.

Even later merkt de muzikant op dat de familie uit Chicago komt. Wat een toeval. Het blijkt dat ze naar Nashville zijn getogen om een verjaardag, een huwelijksjubileum en een huwelijksaanzoek te vieren, waarbij het duidelijk is dat één van de familieleden gaat trouwen. Opvallend is het feit dat de groep uit vrijwel alleen vrouwen bestaat. Er is één man bij die zich overigens prima vermaakt met het overschot aan oestrogeen. Na twee Heineken en de achtenveertig liter koffie van eerder die dag, duurt het niet lang voordat ik het toilet van Crazy Town een bezoekje moet brengen. Tijdens het handen wassen stapt het mannelijke lid van de familie binnen. Scherp als ik ben, trek ik de conclusie dat hij degene moet zijn die een huwelijksjubileum viert. Hij is immers de enige man en voordat ik nadenk over het feit dat ik deze plank zomaar eens finaal mis kan slaan, zeg ik vrolijk: “Happy anniversary!” Een kordate “Thank you, haha!” volgt. Daarop raak ik aan de praat met ‘JC’ uit Batavia, een kleine plaats op zo’n drie kwartier rijden van Chicago. Hij legt me de samenstelling van het gezelschap uit en ik vertel wat ik in Nashville kom doen, waarna onze wegen weer scheiden. Ik zie dat mijn plek inmiddels is ingepikt en besluit aan de bar nog maar een biertje te bestellen. De muziek is goed, de tarwesmoothie smaakt me prima en de sfeer van een Honky Tonk is zoals Luke Combs zingt ‘my kind of place’. Kort daarna loopt JC langs mij en na een overleg van tien seconden met de rest van de familie, gebaart hij dat ik erbij moet komen zitten. Goed om te weten is dat ik, voordat ik voet op Amerikaanse bodem heb gezet, met mezelf heb afgesproken dat ik gedurende deze reis overal ja op zou zeggen. Puur om het feit om iets te beleven, wat je niet zou beleven wanneer je in je comfortzone zou blijven hangen. Het gebaar van JC is het eerste moment in Nashville waarop ik bij mezelf denk: ‘Ja, Tom. Dit is precies wat je van tevoren met jezelf hebt afgesproken.’ Ik zit inmiddels een paar uur met de gezellige familie aan tafel. Time flies when you’re having fun. JC, Julie, Penny, Sarah, Sue, Lisa, Ashley en Paige zijn geweldig. We zingen voorzichtig mee en kletsen over van alles en nog wat. Het klikt. Dat kan ik wel stellen en het wordt bevestigt als JC met het idee komt om een hapje te gaan eten bij de fameuze ‘Tequila Cowboy’. Hij nodigt mij uit: “You have to join us for dinner. You belong with us now.” Ik antwoord: “Tequila Cowboy it is!”

We steken Broadway over en nemen bij binnenkomst plaats in een hoekje. De muur is op onze plek versierd met uiteenlopende, geschreven creaties van bezoekers. Wederom worden we bediend met livemuziek. Een ieder bestelt waar diegene trek in heeft en ik besluit op dat moment afstand te nemen van mijn kinderjaren. De jaren waarin ik nogal eens als ‘piereschieter’ ben weggezet, omdat ik het oeroude gezegde ‘wat de boer niet kent, dat vreet ie niet’ in ere wilde houden. Nee. Op deze dag overlijdt piereschieter Tom en na mijn fijne ontbijtje, maak ik nog een stapje op culinair gebied. Ik bestel de beste burger ooit, zo blijkt. Waar ik het normaal niet zo heb op geheimzinnige sauzen, schijven tomaat, halve augurken en andere shit wat ze allemaal tussen een kadetje weten te proppen, laat ik me vandaag niet kennen. Deze burger is pittig, maar staat naast het recept van mijn moeder dat de naam ‘Patrick Kluivert’ draagt in de lijst met betere kost dat ik in mijn leven op heb mogen peuzelen. Inmiddels zingen we vol goede moed mee met ‘Drink in my hand’ van Eric Church. Tijdens het eten besluiten Ashley en Paige dat hun namen niet op de muur van Tequila Cowboy mogen ontbreken. Voordat ik er erg in heb, wordt ook mijn naam op de muur gekalkt: ‘Tom from Holland’ en trots poseer ik voor het kunstwerk van de dames.

Als de maaltijd  de huig heeft gepasseerd en we het weg hebben gespoeld met een verfrissende Bud Light, komt de rekening. Ik wil graag mijn eigen deel betalen, maar daar wil mijn Amerikaanse familie niets van weten. JC: “No way, you’re the guest. We invited you, so we’re going to pay.” Ik sta even perplex, wil er nog tegenin gaan, maar bedenk me ook dat het waarschijnlijk geen nut zal hebben. ‘Wow’, denk ik bij mezelf en terwijl ik me aan het beraden ben over een manier om deze geste goed te maken, wordt duidelijk dat de familie nog even terug naar hun hotel moet. Ze zijn namelijk net gearriveerd en er moeten nog een aantal zaakjes geregeld worden. Ik vervolg mijn tocht die dag als een ‘one man band’ en besluit naar Honky Tonk Central te gaan. Een countrybar dat aan een kruispunt is gevestigd. Een kruispunt waar ik met Google Maps al honderdveertig keer op heb gestaan. Minutenlang turend en denkend aan het moment dat ik er zou zijn. Ik ben er nu. Het bevatten lukt me niet, maar als ik te lang op het zebrapad sta te kijken naar het plaatje van Google Maps, word ik opgeschrikt door een luide toeter van een auto. ‘Ja Tompie, dat stoplicht is inmiddels klaar met aftellen’, schiet door mijn hoofd. Een “Sorry” en een klein sprintje volgen. De oer-Hollandse sorry heeft op dat moment ook plaats gemaakt voor een sorry met zowaar een Amerikaanse tongval. Ik ben immers al vijf dagen ‘the land of the free’. Ik bestel wederom een Bud Light, want waarom iets veranderen wat goed bevalt? Het is druk in Honky Tonk Central en ik weet me een plekje aan de bar te bemachtigen. Schouder aan schouder met onbekenden, maar tevens allemaal mogelijkheden om van onbekenden bekenden te maken. Ik raak aan de praat met een stelletje uit Pittsburgh…

Deel 3 van ‘de vergeten onvergetelijke ontmoeting’ zal binnenkort verschijnen, houd hiervoor de website en Facebookpagina van ‘Tom schrijft’ goed in de gaten!

Deel 1: ‘Glooperdiehot’

Ik heb nooit onder stoelen of banken geschoven dat ik een enorme liefhebber ben van countrymuziek. Sterker nog, ik ben er zelfs trots op. Onderweg naar het werk luister ik op woensdagochtend naar ‘Write It Down’ van countrykoning George Strait. Even daarvoor app ik met een vriend uit New York, Mark Louis Pate. Ik vraag me af hoe het met hem gaat in quarantainetijd. Zijn stad wordt immers hard getroffen door het coronavirus. De woorden van George dringen door als ik voor het stoplicht richting Roden sta: ‘Write it down’. Het is een advies die ik ter harte neem. Ik bedenk me dat ik eigenlijk mijn eerste dag in Nashville eens op zou moeten schrijven. Het is die dag waarop ik tevens Mark heb ontmoet. Volgens hem: ‘my favourite story to tell people’. Waarmee hij doelt op de wijze waarop wij elkaar ontmoet hebben. Ga er maar even goed voor zitten. Iedere keer als ik dit verhaal namelijk vertel, dan kan ik vaak zelf de samenloop van omstandigheden ook maar nauwelijks bevatten.

Het begint op een koude zondagavond in februari 2017 aan het Damsterdiep in Groningen. Ik zit verloren op de bank. Op dat moment zit ik tussen twee banen in en ik weet niet precies welke koers ik ga varen. Ik besluit de stoute schoenen aan te trekken en boek ik een vlucht naar Chicago. Voor zover ik me het kan herinneren, hunker ik al naar een bezoekje aan Amerika. Voor de eerste drie dagen boek ik een Airbnb in de ‘Windy City’ en aldaar start mijn American Dream en de zoektocht naar bevestiging, want is countrymuziek nou echt zo mooi als ik denk? Daarvoor moet je natuurlijk niet in Chicago zijn. Hoewel ik in de eerste drie dagen van mijn reis toch verliefd word op de stad aan Michigan Lake, stap ik vol zelfvertrouwen in een Greyhound richting Nashville. Via Indianapolis en Louisville, beland ik na elf uur in een bus met jankende koters op een regenachtige zomeravond in de countryhoofdstad van de wereld, Nashville.

Het plenst en ik sta met de geleende koffer van mijn broer en mijn goeie gedrag op het Greyhoundstation van Nashville. Heel in de verte zie ik met een beetje fantasie de contouren van de Batmanbuilding van telecomprovider AT&T. Over de trip met de Greyhound alleen al kan ik een boek schrijven, maar dat is laat ik even liggen voor een later moment. Iedereen die wel eens in een Greyhound heeft gezeten, kan zich voorstellen waar ik het over heb. Ik sta dus naast mijn koffertje te luisteren naar de regendruppels die op het asfalt kletteren. Voorbereid als ik ben, heb ik eigenlijk geen idee waar ik naartoe moet op dat moment. De navigatie van de Uberapp laat mij even later op deze zompige, donkere avond ook nog in de steek. Ik kan de ‘Uberdriver’ die op de app staat aangegeven namelijk niet vinden. Hopeloos slenter ik heen en weer over een groot kruispunt en word ik bedolven onder het hemelwater. Na twintig minuten heen en weer gerend, geschuild en gescholden te hebben, stap ik helemaal doorweekt in de Uber. Ik spuw nog even wat gal uit richting de Uberdriver over die klotenapp waar hij aan verbonden is en een kleine twintig minuten later stap ik zeiknat mijn Airbnb binnen. De bewoners kijken verrassend op als ze ‘the drowned Dutchy’ zien binnenstappen. Ze zijn gezellig een spelletje aan het doen en ze vragen of ik mee wil doen. Ik sla over. Na de elf uur durende en enerverende busrit en het rondgeren op het kruispunt, pak ik een douche en kruip ik onder de wol.

De volgende dag ga ik op tijd op verkenning en dan heb ik mijn energie wel nodig. Met de kenmerkende klanken van ontelbare krekels op de achtergrond, kruip ik onder het rooie laken van het tweepersoonsbed dat voor mij is gereserveerd. De volgende dag begin ik met een kommetje cornflakes en melk, waardoor ik me zowaar een beetje Amerikaan voel. Als het eenmaal in het verticale systeem is gekieperd, bestel een Uber richting ‘Broadway’. De straat waar het allemaal gebeurt in Nashville. Ik stap uit en zoek een ontbijttentje. Het is tien uur in de ochtend en het is lekker weer. Een graadje of zeventien en een beetje bewolkt. De grote plassen op de stoep zijn de laatste, stille overblijfselen van de storm van gisteravond. Na een wandeling van vijf minuten sta ik voor ‘Another Broken Egg’. Als ik iemand een ontbijttentje in Nashville moet aanraden, dan zal ik voordat iemand zijn of haar vraag afmaakt ‘Another Broken Egg’ zeggen. Wat een tent. Vijf minuutjes sta ik in de rij en ik blijk geluk te hebben dat ik alleen ben. Waar je normaalgesproken bij dit restaurant op een uur wachttijd kunt rekenen, mag Tompie direct aan een eenpersoonstafeltje plaatsnemen. Broodjes, kip met saus, ei, aardappeltjes en onbeperkt koffie worden voorgeschoteld. By far het beste ontbijt ooit. Die kip. Op het moment dat ik erover schrijf, loopt het water me alweer in de mond.

Als ik twintig seconden naar bovenstaande foto heb gestaard en het kwijl van mijn spatiebalk heb gewreven, denk ik aan dat extra kopje koffie die ik ‘to go’ meeneem. Een beslissing waarvan ik op het moment dat ik het maak al spijt heb. Ik heb immers al een grote mok of drie van het laxeermiddel op en ik kan eigenlijk geen koffie meer zien. Ik bedank de aardige ober evengoed voor de megakoffie to go en loop met een vaas in mijn hand over straat. Op de hoek van een kruispunt zit een dakloze en lichamelijk beperkte man met een oude, grijze pet op waarvan de letters door de jaren heen zijn vervaagd. Ik vraag hem of ik hem kan verblijden met een vers kopje koffie en ik zie een glinstering in zijn ogen. Het komt goed terecht. Ik waarschuw hem nog voor het feit dat het ‘glooperdiehot’ is en na een ‘God bless you, son!’, loop ik volgetankt met koffie en goede karma weer richting Broadway.  We zijn inmiddels een uur verder en ik loop langs boots stores, restaurants en cafeetjes. Het is 11:00 uur ‘s ochtends en in de meeste kroegjes staan de muzikanten al live te spelen. Ik kijk naar binnen bij ‘Crazy Town’. De muziek die uit de keel van Stuart Clawson komt, klinkt goed en aan de linkerkant zit een familie van ongeveer acht personen die het heel erg naar hun zin hebben. Ik besluit naar binnen te gaan….

Deel 2 zal binnenkort verschijnen, houd hiervoor de website en Facebookpagina van ‘Tom schrijft’ goed in de gaten!